Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men de cel verandering volgt en nagaat, hoe zij zich voordoet in de verschillende gedeelten van het striatum, dan kan men haar het best uitgedrukt aantoonen in het occipitale stuk, als dit nog volkomen is afgescheiden van het frontale stuk.

Ter toelichting hiervan is een tweetal afbeeldingen bijgevoegd naar teekeningen van haematoxylin-karmijnpraeparaten van dit occipitale stuk. In fig. 650 is van de rechter, niet geopereerde zijde dit stuk geteekend, zooals het is gelegen tusschen den tractus opticus en de commissura anterior cerebri en in fig. 650 B is dit zelfde stuk geteekend van de linker, geopereerde hemispheer.

Men kan in deze teekeningen waarnemen:

1. dat de nucleus pallidus der geopereerde zijde (fig. 650 B) belangrijk is verkleind ten opzichte der normale zijde.

2. dat die verkleining in de eerste plaats berust op een geducht vezelverlies, dat zelfs in het karmijn-praeparaat nog is waar te nemen, zoodat er van eilandjes in het ventrale deel van den nucleus pallidus niets is te zien.

3. dat echter in dien verkleinden nucleus pallidus ook een deel op rekening komt van het celverlies, dat in die eilandjes van grijze stof wordt waargenomen. Hoe meer men echter het putamen nadert, des te meer neemt het aantal groote cellen toe, voor een deel gedegenereerd, maar ook voor een deel intact.

Reeds uit het structuurbeeld van het occipitale stuk konden wij opmaken, dat het moeilijk anders dan een deel van de lenskern kon zijn. Het bestaat overal uit een grootcelligen, vezelrijken nucleus pallidus tegen een vezelarm, kleincellig putamen aan gelegen en onscherp daartegen begrensd.

De vaststelling van het feit, dat dit stuk dezelfde reactie vertoont na doorsnijding van het tegmentum pedunculi cerebri als de lenskern, zooals zij ter hoogte van de vereeniging van de occipitale en frontale stukken is geworden, bevestigt de juistheid dezer meening.

Bij het konijn is dus in verband met de sterke ontwikkeling van den Ammons-hoorn, de lenskern zeer ver in occipitale en ventrale richting verschoven.

De veranderingen, die in het striatum zijn waargenomen na doorsnijding \ an het tegmentum pedunculi, laten zich op de volgende wijze samenvatten.

In den nucleus caudatus zijn geen veranderingen waargenomen, noch in den kop, noch in den staart dezer kern. Ook is de verandering in het meer frontale gedeelte der lenskern öf niet aanwezig,, öf zeer gering. Wel echter is een groot stuk van de lenskern, vanaf het occipitaal vooruitgeschoven stuk, tot daar waar de vereeniging met het frontale stuk plaats vindt, in hooge mate veranderd. Daar kan worden vastgesteld: een geducht verlies van vezels in den nucleus pallidus en in mindere mate ook in het putamen. In de beide afdeelingen der lenskern zijn al de zoogenaamde lengtevezels verloren gegaan. In den nucleus pallidus zijn daarentegen een groot aantal zoogenaamde transversale vezels overgebleven en in het putamen ziet men als compensatie voor het wegvallen der lengtevezels een veel duidelijker en grover worden van de vezels, die het eigen netwerk van de lenskern vormen.

Sluiten