Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar naast het verlies van vezels staat aan de geopereerde zijde een groote verandering in de groote cellen van den nucleus pallidus. Ofschoon er een aantal onveranderd zijn gebleven, worden toch de meeste in een toestand van degeneratie aangetroffen en er zijn een aantal dientengevolge verdwenen. In het putamen schijnen de cellen iets kleiner geworden, tusschen de mazen van het eigen vezelnet, maar veranderd zijn ze overigens niet.

Deze waarneming wijst er in de eerste plaats op, dat de doorsnijding van het tegmentum pedunculi gevolgd is door het teniet gaan van een aanvoerend vezel-geheel, dat door de degeneratie volgens W a 11 e r verdwenen is en voor het grootste gedeelte aansprakelijk mag worden gesteld voor het vezelverlies in het striatum. Daarnevens echter staan de vezelstelsels, wier doorsnijding gevolgd is door axipetale vezelverandering en celdegeneratie, eventueel celverdwijning, en die dus als uitvoerende stelsels uit het striatum mogen beschouwd worden.

Wat de aanvoerende stelsels naar het striatum betreft, mogen wij onderstellen, dat zij in verschillende vezelbundels uiteenvallen.

A., vezels die uit den thalamus, de substantia nigra en de kern van L u y s naar het striatum gaan.

Immers tengevolge van de doorsnijding van den lemniscus medialis en het frontale merg der roode kern, alsmede der dorsale afdeeling van het tegmentum pedunculi zijn er in den thalamus en in de regio subthalamica diepgaande veranderingen tot stand gekomen. In den thalamus is de stria medullaris ventralis verdwenen en bevatten de latero-ventrale thalamus-kernen cellen noch vezels meer. Hetzelfde is ook het geval met den nucleus subthalamicus en met een groot deel der substantia nigra.

Over dit gedeelte van den thalamus hebben wij door Dr. Eaymond Morrison1) iets geleerd. Bij een hond, bij wien beide hemispheren waren verwijderd, rechts met uitsparing van het striatum en links met opóffering ervan, werd beiderzijds een nagenoeg volkomen celverlies in den thalamus gevonden als gevolg der schors-verwijdering. Aan de rechter zijde evenwel, waar het striatum gepaard was, werden op de grens van het ventrale en mediale kerngebied in den thalamus een aantal middelgroote intacte cellen gevonden te midden van dit geweldig celverlies. Die cellen waren aan de linker zijde, waar het striatum mede was weggenomen, niet te vinden. Morrison brengt haar derhalve met het striatum in verband en ziet in die cellen een striatum-aandeel van den thalamus.

In het hier beschreven geval zijn deze cellen, evenals de stria medullaris ventralis thalami geheel en al verdwenen. Men mag dus aannemen, dat de uit deze cellen ontsprongen thalamo-striale bundel teniet is gegaan en daarmee bijdraagt tot het vezelverlies in den nucleus pallidus. Eveneens zijn in het

') L. Rayinond Morrison, Anatomical studies of the central nervous system of dogs without forebrain or cerebellum. 1929. p. 26. Haarlem. De Erven Bohn.

Sluiten