Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

direct door het operatiemes is verwond en de laterale ventrikel is geopend, neemt men betrekkelijk geringe verandering waar in datgene wat liier links het striatum uitmaakt. Die kop is aanvankelijk stellig nog verkleind evenals het geheele striatum, maar scherp komt het in fig. 654 B (No. 1056 der serie) uit, dat, zoodra de ventriculus lateralis weer gesloten is, er nauwlijks meer van een verschil der linker zijde tegenover de rechter sprake is.

. Er is langs den ventrikel een smalle rand, waaruit vezels en cellen zijn weggevallen. Ook is de kop van den nucleus caudatus met den nucleus accumbens septi vergroeid, maar in den linker nucleus caudatus is te dezer hoogte weinig veranderd.

Meer intensief evenwel is de verandering in de linker lenskern van het voorhoofdsgedeelte, maar ik kom daarop straks uitvoeriger terug, aangezien die verandering, welke in de vorige waarneming ontbrak, niet van de hersensteel-verwonding afhangt.

Vatten wij thans de omvangrijke beleediging samen, welke bij dit tweede konijn is toegebracht, dan blijkt zij de volgende te zijn.

Er is een zeer omvangrijke schorsbeleediging gemaakt, die tot ver frontaalwaarts doorloopt. Zij gaat gepaard met een groote verwoesting van het middengedeelte der corona radiata en met een geheele vernieling van het frontale stuk van den A m m o n s-hoorn. Deze schorswonde is veel grooter dan in het eerst beschreven geval.

De partieele steelbeleediging, die aan de linker zijde werd toegebracht, is eveneens van grooter omvang dan zij in het vorige geval was.

De regio subthalamica is geheel vernield, de lemniscus en het frontale merg uit de roode kern zijn volkomen doorsneden en zelfs is in de diepte de stria medullaris ventralis tlialami met een gedeelte van de ventrale thalamus-kern direct vernield. Bovendien is in het meer frontale gedeelte het achtereinde van den kop van den nucleus caudatus gekwetst, de capsula interna beschadigd en zelfs zijn de voorste en laterale thalamus-kernen min of meer beleedigd.

De weerslag dezer zeer omvangrijke verandering op het striatum der geopereerde zijde is, wat de lenskern betreft, een wegval van vezels en cellen op volmaakt dezelfde wijze als in 'de vorige waarneming werd beschreven, maar veel intensiever. In wezen verschilt de thans gevonden striatum-verandering er volstrekt niet van.

Uit fig. 655 blijkt, dat bijna alle longitudinale vezels uit het occipitale stuk der lenskern zijn verdwenen, zoowel in den nucleus pallidus als in het putamen der linker zijde. Voorts kan men waarnemen (vergelijk ook fig. 653 B) dat nagenoeg alle vezels, die gelegen zijn op de grensscheiding tusschen putamen en nucleus pallidus, afwezig zijn.

Deze vezels, aequivalent als men wil aan de menschelijke stria medullaris limitans, mist men dus aan de geopereerde zijde.

Toch blijven er in den nucleus pallidus een betrekkelijk groot aantal transversale vezels over en men ziet in het putamen, dat in even sterke, zoo

WINLER Y. 1 o

Sluiten