Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze verbinding van het striatum met de voorste thalamus-pool is dus bij het konijn juist als bij den mensch, volkomen onafhankelijk van den door de capsula interna heendringenden, het kamsysteem vormenden bundel h2 van Forel, die veel verder caudaal-waarts wordt gevonden.

Maar beide stelsels, de pedunculus inferior thalami en het kamsysteem behooren tot het caudale gedeelte van het striatum.

Dit gedeelte loopt echter spoedig na het in fig. 662 afgebeelde niveau ten einde en een kenmerk daarvan is, dat de scherpe scheiding tusschen putamen en nucleus pallidus door de lamina medullaris externa verdwijnt (zie fig. 663). Wat thans gebeurt is het volgende.

Men kan (in fig. 662 «) vaststellen, dat zich in het zeer vezelrijke binnenlid van den nucleus pallidus grijze plekken gaan vormen, die als grijze strooken doordringen in de capsula interna. Zij doen de vezels daarvan uiteenwijken en verdeelen hen. Zij bezitten een eigen vezelvlechtwerk en er ontstaat nu, iets meer mediaal dan te voren, in de lamina limitans en in de capsula interna, een nieuwe nucleus pallidus, die zich voordoet als een mozaiek van vezels en grijze vlekken. Zoodra dan de lamina medullaris externa verdwenen is en het putamen, door haar niet meer gescheiden van den nucleus pallidus, in deze kern overgaat, blijkt de nieuw ontstane nucleus pallidus een zeer dichte lamina limitans te bezitten (zie fig. 663 B).

Beziet men voorts het celpraeparaat te dezer hoogte, dan zijn daarin eveneens ingrijpende veranderingen ontstaan.

In het meest caudale gedeelte van het striatum, daar, waar bij het konijn een stria medullaris externa nog geen scheidingslijn of een slechts met moeite te herkennen scheidingslijn vormde tusschen putamen en nucleus pallidus, was in het celpraeparaat de tegenstelling tusschen het kleincellig putamen en de nucleus pallidus met groote cellen, zeer frappant. Geleidelijk, naarmate de stria medullaris externa meer duidelijk wordt, neemt de grootte der cellen in den nucleus pallidus eenigszins af, ofschoon er nog altijd een vrij scherpe tegenstelling tusschen de beide kernen blijft bestaan.

Maar als in het frontale gedeelte de lamina medullaris externa is verdwenen en er een nieuwe nucleus pallidus is gekomen, ziet men een uiterst geleidelijken overgang tusschen de kleine cellen in het putamen, die tegen de capsula externa aan zijn gelegen en die welke in de grijze strooken tusschen de vezels der capsula interna worden gevonden. Hoe meer men van de capsula externa uit mediaal-waarts gaat, des te grooter worden de cellen, maar van een tegenstelling tusschen kleine en groote cellen is er geen sprake meer. Die tegenstelling heeft opgehouden te bestaan.

Op het oogenblik, dat de commissura anterior met haar aandeel uit het rhinencephalon de middellijn overschrijdt (fig. 633 B) is de geheele lenskern, maar het meest de nucleus pallidus van bouw veranderd.

Lateraal-waarts is de frontale afdeeling van het striatum scherp tegen de schors begrensd door de capsula externa, vergezeld van het claustrum.

De rhinencephale afdeeling der commissura anterior begrenst haar

Sluiten