Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zon stellig de moeite loonen, indien men kon beschikken over een voldoende hoeveelheid materiaal, waaraan omhoog stijgende degeneratie der vezels naar het striatum was onderzocht. Zeer jonge haarden in de menschelijke oblongata, die de olijfkern en de formatio reticularis vernielden, zouden ons met behulp van March i-praeparaten onderzocht, veel omtrent degeneraties naar het striatum toe kunnen leeren kennen. Slechts enkele waarnemingen zijn in dit opzicht gedaan. Naar mijn meenine is de beste van deze, de waarneming van Babi n ski en Nageotte (Nouvelle Iconographie de la Salpétrière, 1902, No. 6 Nov.—Dec.).

In de medulla oblongata van een lueticus worden een 4tal haarden gevonden, dicht bijeen aan de linker zijde. Een dezer ligt in de formatio reticularis medialis en geeft aanleiding tot een omhoog gaande degeneratie van het gelijkzijdige lint, tot in den thalamus opticus. Twee andere liggen in de pyramide. De voor ons meest belangrijke haard ligt in de formatio reticularis lateralis en heeft de laterale afdeeling van de hoofdkern van de onderste olijf volkomen verwoest. De haard is kennelijk nog versch en de mogelijkheid bestaat, dat nog niet alle degeneraties tot ontwikkeling zijn gekomen. Desniettemin blijkt uit de figuren P. Q. R. S. dat overal in de formatio reticularis lateralis en bepaaldelijk in den tractus centralis tegmenti en ook in vezels van het kamsysteem (fig. S.), die den hersensteel doorkruisen, March i-degeneraties worden aangetroffen.

Er laat zich voor den mensch dus wel een schema van het striatum vaststellen en dat is in fig. 671 en 672 beproefd.

In fig. 671 is de schematische behandeling gegeven van het frontale gedeelte van het striatum.

Dit schema is neergelegd in de teekening van een snede door het frontale einde der stamganglia, welke de ansa peduncularis en den pedunculus inferior thalami treft en derhalve frontaal van het corpus mammillare is gelegen. Dit schema behandelt de frontale afdeeling van het striatum als een afzonderlijk stelsel. Met zwart zijn daarin alle effectoren geteekend, dus

1. de groote cellen, die in geringen getale uit het putamen. in toenemend aantal uit de geledingen van den nucleus pallidus en eindelijk in nog grooter aantal uit den nucleus basillaris overgaan in de ansa peduncularis. Dan loopen zij verder in den pedunculus inferior thalami om zich in de nuclei anteriores van den thalamus op te lossen.

2. de minder groote cellen, de schakelcellen, die

a. den nucleus caudatus verbinden met het putamen en omgekeerd,

b. den nucleus caudatus verbinden met den epithalamus langs korteren weg,

c. het putamen verbinden met den nucleus pallidus.

Rood daarentegen zijn de groote re cellen uit den epithalamus geteekend. die ten deele langs korteren weg den n. caudatus, de meeste echter langs de ansa peduncularis heen, den nucleus pallidus en het putamen zoeken.

Sluiten