Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leest men dit schema in verband met het schema der pallidaire uitvoerwegen m fig. 579 afgebeeld, dan bemerkt men, dat het meerendeel der langere aanvoerwegen en uitvoerwegen in dezelfde banen loopen, namelijk in de beide velden van den tractus centralis tegmenti.

Het spreekt wel van zelf, dat zoo eenvoudig als hier in dit schema de aanvoerwegen voor het striatum zijn geteekend, dit geheel niet is. Met geen woord is melding gemaakt van vezels, die door den fasciculus longitudinalis daarheen omhoog gaan en met opzet is gezwegen over het gebied der commissura posterior, een der moeilijkste te ontwarren problemen van het centrale zenuwstelsel.

Samenvatting.

Nadat een nauwkeurige beschrijving is gegeven van het striatum, zooals c ït gedeelte van het volwassen menschelijk zenuwstelsel zich in vezel-praeparaten voordoet en nadat het groote onderscheid is gewaardeerd, dat er bestaat in vezel- en in celbouw tusschen de in hoofdzaak kleincellige en vezelarme kernen, die als nucleus caudatus en putamen bekend zijn, en den grootcelligen en vezelrijken nucleus palhdus, hebben wij het onderscheid tusschen die twee kernsoorten aanvaard. Daarmee erkenden wij tevens het bestaan van een neostriatum — de nucleus caudatus + het putamen nuclei lentiformis — en van een palaio-striatum - de nucleus pallidus -, gelijk dit voor het eerst door Ariëns Kappers was beschreven.

Vervolgens overgaande tot de bespreking van de ontwikkeling van het

striatum, bleek het evenals het aan Ariëns Kappers was gebleken,

dat het noodzakelijk was om nieuwe elementen naast deze eenvoudige indeeling te plaatsen.

Wij leerden kennen, dat in den sulcus limitans van H i s een voortreffelijke scheidingslijn gevonden werd, waardoor de basale plaat — voor effectorische functie bestemd — tegen de alaire plaat — van receptorische functie voorzien — werd begrensd,

Maar deze lijn eindigde in het mesencepbalon. Wel kon men beproeven deze lijn te vervolgen in het diëncephalon en telencephalon en dan vrij wel naar willekeur in een der drie groeven, die op de binnenzijde der voorste hersenblaasjes werden aangetroffen. Dan echter kwam men tot een, naar mijn meening, volkomen willekeurige onderscheiding der effectorische en receptorische afdeeling der twee voorste hersenblaasjes. Het werd dus een plicht om naar andere kenteekenen om te zien. Daartoe werd een gedachte van Bok benut, die betoogd had, dat de basale plaat moest worden beschouwd als een geheel, als een z.g. primair continue eenheid.

De toepassing van dit beginsel bracht ons het resultaat, dat er in het diencephalon en telencephalon een onderscheid kon worden gemaakt tusschen de basale en de alaire plaat, maar tevens dat het onmogelijk was uit te maken, waar de basale plaat van het telencephalon eindigde en waar die van het diencephalon begon, zoo geleidelijk gingen zij in elkander over.

WINKLER V.

13

Sluiten