Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sitif). Naar mijn meening zal men daarbij mogen vermoeden een beleediging van den nucleus pallidus naast een aandoening der vezels, die door de achterste capsula interna naar de wandlob gaan. De eerste aandoening geeft de gekruiste stijfheid, van de tweede gaat de aanstoot uit, die uit de schors langs de pyramide een hoog gecoördineerde beweging doet ontstaan, die met de athetotische vingerbewegingen begint en met flexie in het elleboogsgewricht en adductie van den bovenarm eindigt.

Ook zal een nader onderzoek van gewicht zijn van de z.g. acute gevallen der chorea van Sydenham, die onder het beeld der chorea gravis te gronde gaan en bij welke in den regel een soms uitermate sterke hypotonie wordt waargenomen (chorea mollis). Het vermoeden ligt voor de hand, dat bij zulke lijders vooral de aanvoerbanen uit den thalamus, alsmede die uit den nucleus caudatus naar den nucleus pallidus teniet zullen zijn gegaan.

Niet minder zullen ook de aan tics verwante bewegingen, die bij de „Torsionsspasmus" worden aangetroffen, alsmede de lachdwang, de reïteratiebewegingen en de stereotype handelingen, welke bij lijders aan katatone verschijnselen worden beschreven, ons nog veel kunnen leeren. Zij zijn het uitgangspunt geweest van de ontleding, die door K 1 e i s t is gegeven.

Ten slotte moet ik nog wijzen op een andere, m. i. belangrijke klinische waarneming, die in verband kan worden gebracht met het in de voorafgaande bladzijden beschreven, dubbele projectie-systeem uit het striatum. Wanneer de aandoeningen van het meest caudale projectie-systeem voeren tot bepaalde storing in den tonus van spiergroepen, die tot de lichaamshouding samenwerken, dan is naar mijn meening, de reden daarvan te zoeken in de omstandigheid, dat de occipitale striatum-afdeeling ondergeschikt is aan de zintuigshersenen met hun uitvoerweg door liet pyramiden-systeem.

Het frontale gedeelte van het striatum is op soortgelijke wijze ondergeschikt aan de frontale hersenen. Deze hebben echter eerst bij apen, maar boven alles bij menschen een buitengemeen groote ontwikkeling bereikt (zie fig. 643). De kenmerkende eigenschappen, waardoor echter de mensch het cachet van het hoogste zoogdier verkrijgt, zijn: de spraak en de opgerichte gang. Voor het laatste is noodig een strekstand van het been, op welke de loopbewegingen geënt worden. Alle zoogdieren loopen met gebogen vier pooten.

Het kind heeft bij de geboorte ook nog de gebogen beenen (F o r s t e r). Zij verdwijnen eerst in het tweede gedeelte van het eerste levensjaar.

In den jongsten tijd maakt nu Verhaart (Gen. T. v. Ned. Indië, Dl. 71, 1931, afl. 7, p. 690) er opmerkzaam op, dat bij dubbelzijdige aandoeningen der voorhoofdskwabben, naast spraakstoornissen, gedwongen buigstanden der beenen worden waargenomen, die het opgericht loopen onmogelijk maken, ofschoon er van verlammingen geen sprake is.

En al veel vroeger was de frontale incoördinatie van den gang, de frontale ataxie bekend, die zich door het achterovervallen bij het gaan kenmerkt. Kortom er is een zeer groot onderscheid in de gangstoornis, als de elementen die den gang bij opgericht lichaam bepalen, gestoord zijn.

Sluiten