Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den thalamus in mijn bezit en de gevonden veranderingen in den thalamus zijn zeer omvangrijk, al zullen zij ons hier nog niet bezig houden.

Voor ons is echter van belang, dat er van het tuberculum anterius aan de linker zijde niets is overgebleven. Het aantal sneden door het tuberculum anterius der rechter zijde bedraagt 36. In snede 34 eindigt de bijkern, in snede 36 de hoofdkern. In fig. 676 B zijn er drie sneden geteekend. In No. 7 ziet men aan de rechter de bij- en de hoofdkern, die door de stria medullaris dorsalis thalami van den nucleus reticularis thalami gescheiden zijn. In No. 17 worden beide kernen getroffen, als zij boven elkander zijn gelegen en reeds door de omliggende laterale, mediale en ventrale kernen worden ingesloten.

In N°. 30 nadert het tuberculum anterius zijn occipitale einde.

Tegenover dit intacte rechtszijdige tuberculum anterius vindt men daarentegen aan de linker zijde volstrekt niets meer, wat op kernen gelijkt.

Zenuwcellen zijn er niet te vinden. In fig. 7 is door een lijn aangegeven waar de geheel en al ontaarde capsula interna, die uit een glieuse massa bestaat, gevonden wordt. In het midden van den thalamus vindt men een sterk glieus veranderde kern, zonder zenuwcellen, die de mediale thalamus-kern kan zijn en samenhangt met het op de plaats dier kern gelegen kringvormig gebied in fig. 14.

De habenula en de nucleus para-ependymalis zijn aan de linker zijde onveranderd, evenals de nuclei habenulae.

Uit deze reeks blijkt dus, dat het, indien een volkomen ondergang van beide kernen zal worden nagestreefd, noodzakelijk is, le. het rhinencephalon, 2e. een deel der voorhoofdswindingen te verwijderen, maar dat daarnevens noodzakelijk is om ook 3e. het voorste gedeelte van het striatum te vernietigen.

Dan eerst verdwijnt het tuberculum anterius geheel en daarmee de bundel van Vicq d'Azyr.

Het schijnt mij toe, dat het menschelijk tuberculum anterius zich op een soortgelijke wijze tegenover schorsbeleedigingen gedraagt, als dat van het konijn, al is bij den mensch waarschijnlijk het gedeelte, dat van de frontale hersenschors afhangt, grooter dan bij het konijn.

Maakt men een transversale serie door het menschelijk diëncephalon, dan verschijnen evenals bij het konijn, de beide kernen, die wij tot het tuberculum anterius gerekend hebben, nagenoeg tegelijkertijd.

In fig. 677 is uit een reeks, met thionine gekleurde doorsneden door het volwassen menschelijk diëncephalon, een der meest frontale sneden, bij kleine vergrooting afgebeeld.

Allereerst wordt men er door getroffen, dat de bij kern, die ook bij den mensch een grootcellige kern is, betrekkelijk klein schijnt te zijn.

Vergelijkt men haar met de hoofdkern, dan vooral schijnt zij veel kleiner, dan wanneer men die beide kernen bij het konijn, ten opzichte van elkander waardeert.

Bovendien zal men herhaaldelijk kunnen waarnemen, dat juist de bijkern

Sluiten