Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een aantal kleinere stukken is gesplitst die onderling samenhangen en men kan dit in sagittale sneden, die dicht bij de middellijn den medialen thalamuswand treffen, op de duidelijkste wijze waarnemen.

In verband met de experimenteele ervaringen bij het konijn, dat beleedigingen van het rhinencephalon in de eerste plaats haren invloed doen gelden op het voorste gedeelte van de bijkern, rijst het vermoeden, dat het kleine voorste gedeelte der menschelijke bij kern samenhangt met en gevolg is van de belangrijke reductie, die bulbus olfactorius, tractus olfactorius, gyri olfactorii en piriformis bij den mensch hebben ondergaan.

Fig. 677.

Doorsnede door liet meest frontale einde van een menschelijk diëncephalon (Thionine-praeparaat). fase. fibr. dors. th. — bundel van dorsale thalamus-vezels. n. ant. th. (a). = kleincellige hoofdkern van het tuberculum anterius, n. ant. th. (b). = grootcellige bijkern van het tuberculum anterius. n. peri-epend. = nucleus peri-ependymalis. n. ret. th. = nucleus reticularis thalami. str. med. dors. th. = stria medullaris thalami.

De hoofdkern bij den mensch wordt, gelijk uit fig. G77 blijkt, gevoed door een bundel dorsale thalamus-vezels (fig. 677. fase. fibr. dors. th.), die zich in twee bundels splitst, die haar tusschen zich invatten, en van welke de meest ventrale, de stria medullaris dorsalis thalami haar afgrenst van den nucleus reticularis en van den nucleus ventralis thalami.

Ook bij den mensch is dus een dorsale thalamus-straling te zien.

Naarmate men deze serie in occipitale richting verder onderzoekt, verandert echter dit beeld.

De teekening in fig. 678 gegeven, naar een verder naar achteren gelegen doorsnede dezer zelfde serie van thionine-praeparaten bewijst dit.

Sluiten