Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pedunculus conarii in het achtereinde is binnengetreden (verg. fig. 681), de taenia thalami het ganglion habenulae dorsaal omvat, en dat, gegeven de kleinheid van den pedunculus conarii, alle dorsale vezels ervan waarschijnlijk uit de taenia thalami afkomstig zijn.

Ook in fig. 684 neemt men waar, dat de fasciculus retroflexus overgaat in een vezelveld, dat het ganglion habenulae ventraal omvat en een lateralen, een centralen en een medialen bundel in het ganglion zendt. Onmogelijk is het niet, dat enkele vezels uit den pedunculus conarii direct in de vezels van den fasciculus retroflexus overgaan, zooals door vele schrijvers wordt beweerd.

Men krijgt voorts den indruk, dat het laterale kerncomplex meer gecompliceerd is geworden, ofschoon men er gemakkelijk twee groote afdeelingen in fig. 684 herkennen zal, van welke de meest laterale afdeeling rijk is aan overlangs doorsneden vezels, terwijl de meest mediale afdeeling door bundels dwars getroffen vezels wordt doorsneden en zich verder rondom eilandjes groepeeren, waarin vrij veel kleine cellen zijn gelegen.

In fig. 685 is, naar een N i s s 1-praeparaat, een afbeelding geteekend van het ganglion habenulae bij den mensch. Deze doorsnede is, ofschoon in frontale richting genomen, zeer scheef door het ganglion gegaan, zoozeer dat de pedunculus conarii (fig. 685. ped. con.) en het subcommissurale ependymale orgaan (fig. 685. Ep.) overlangs zijn getroffen. De pedunculus gaat in de kleincellige kern van het ganglion over, die evenals de grootcellige kern scheef is geraakt.

Men herkent voorts den fasciculus retroflexus, die het ventrale veld van het ganglion vormt en in drie stralingen, 1, 2 en 3, daarin binnentreedt.

De mediale straling ligt tusschen de kleincellige en grootcellige kern in, de laterale straling scheidt het ganglion habenulae af van den nucleus para-fascicularis, waarop wij in de volgende paragraaf terugkomen.

Ook bij den mensch bestaat de grootcellige kern uit celleneilandjes, die tusschen de vezels van de taenia thalami en van den fasciculus retroflexus r/'\]n gevat. Dit deel van den nucleus magnocellularis habenulae is zeer groot en het omvat het gedeelte ervan, waarin de geïsoleerde en tevens de grootste cellen van die kern worden gevonden. Dit laatste gedeelte is tusschen de centrale en de laterale uitstraling van den fasciculus retroflexus gelegen.

Vatten wij thans de bespreking van het ganglion habenulae samen, dat bij zoozeer ver uiteenstaande wezens als konijn en mensch, op nauwelijks verschillende wijze gebouwd is, dan komt men tot de slotsom, dat daarin een phylogenetisch zeer oud kerncomplex gegeven is.

Met de hersenschors bezit het geenerlei verbindingen, noch met den hersenmantel, het pallium cerebri, noch met het rhinencephalon.

Wanneer de geheele hemispheer, inclusief een groot deel van het rhinencephalon is verwijderd, dan vindt men geenerlei verandering in het ganglion habenulae.

Dit was bijv. het geval bij den hond, die door Z e 1 i o n y was geopereerd

Sluiten