Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk in fig. 690 nog het geval was. Zij is thans een machtig vezelveld geworden, bijna uitsluitend opgebouwd uit dwars doorsneden vezelbundels, waartusschen echter ook cellen worden gevonden. De regio subthalamica dorsaal begrenzend, loopt dit veld langs de volle breedte van den ventralen thalamus-rand.

Uit het laterale gedeelte dezer stria maakt zich nu een eigen vezelstraling los, de radiatio ventralis thalami (ra. ve.), die zich richt naar de thalamuskernen, die er dorsaal van zijn gelegen.

Allereerst gaat onder een bijna loodrechten hoek van de radiatio ventralis thalami een vezelbundel af, die direct naar de radiatio optica gaat en een zeer scherpe grenslijn maakt tusschen den vereenigden nucleus lateralis en praebigeminalis tegen den nucleus geniculatus lateralis.

Die bundel voorziet beide kernen van vezels, eer hij zich in de radiatio optica verliest. De ventrale thalamus-straling gaat vervolgens in dorsomediale richting verder en scheidt allereerst de dorsaal geplaatste kernen af van de ventrale thalamus-kern (n. ve.). Zij voorziet den nucleus lateralis ook langs zijn ventrale vlakte en gaat, terwijl zij ook den nucleus praebigeminalis een ventrale grenslijn geeft, ten deele over in een groot aantal kleine vezelbundeltjes, die hier veldjes van dwarsgetroffen vezels vormen, welke van nu af kenmerkend worden voor den nucleus praebigeminalis en door die kern heen samenhangen met de veldjes van het oppervlakkige merg, dat in den voorsten heuvel van het mesencephalon gezien wordt.

Tenslotte kan men die straling vervolgen tot in den nucleus parafascicularis (n. pa. fa.), die den fasciculus retroflexus begeleidt.

D' Hollander heeft er op gewezen, dat 11 dagen na de verwijdering van de hersenschors, zoowel de stria medullaris ventralis als de ventrale straling, met M a r c h i-behandeling een zeer sterke ontaarding vertoonen. Een groot aantal dezer gedegenereerde vezels gaan door den nucleus praebigeminalis heen in het oppervlakkige merg (het optische aandeel) van den voorsten mesencephalen heuvel (het tectum opticum) over.

D'Hollan-der onderscheidt evenwel deze vezels, die hij corticotectale vezels noemt, scherp van de cortico-thalamische. Deze vezels loopen niet alleen uit den tractus opticus door de radiatio optica naar het laterale einde van het oppervlakkige merg van den voorsten mesencephalen heuvel, maar zij bereiken dien heuvel ook langs den weg onzer ventrale thalamusstraling, die zich met een tak in de radiatio optica werpt. De ventrale straling wordt door D'Hollander met den naam van parafasciculaire straling aangeduid en hij geeft zelfs een schema van den gecompliceerden loop, welken zijn cortico-tectale vezels in de stria medullari ventralis nemen, voordat zij haar einddoel — de radiatio optica en het mesencephalon — bereiken.

De ventrale straling is hiermee niet ten einde, want ook de ventrale kern wordt er door voorzien en voor zoover deze er nog is, ook de mediale kern (n. med.). Deze is evenals de intermediaire of centrale kern (n. cent.) veel kleiner geworden en staat op het punt om te verdwijnen.

Sluiten