Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. een ander deel der vezels is in vorige sneden uit de radiatio ventralis thalami hierheen gekomen. Tusschen de bundels der mergstriemen, die den nucleus geniculatus lateralis van den nucleus posterior en dezen van den nucleus praebigeminalis afscheiden, zijn zij naar de radiatio optica gegaan. Ook deze vedels loopen langs den lateralen rand van het zenuwstelsel.

3. Nog een ander deel der vezels bouwt zich op uit de tallooze veldjes van dwars doorsneden vezels, die thans in grooten getale in de kern worden gevonden, die wij als nucleus praebigeminalis hebben beschreven.

Zij treden door de ventrale vlakte in het mesencephalon. Al deze vezels gaan in de beide bovenste lagen van den voorsten mesencephalen heuvel, over en vormen in het oppervlakkige merg ervan, de laatste uitbreiding van het cortico-tectale optische stelsel, dat in de oppervlakkige grijze stof van dien heuvel een voorloopig einde vindt.

De nucleus lateralis en de nucleus praebigeminalis zijn dus geleidelijk tot één kern versmolten. Van nu af aan is die kern een praetectale kern, een nucleus praebigeminalis geworden, daar de nucleus lateralis ongeveer tegelijkertijd met den nucleus geniculatus lateralis verdwijnt. Tenminste bij het konijn.

De nucleus geniculatus lateralis is reeds zeer veel kleiner geworden (n. gen. lat.). Hij wordt niet langer door de radiatio ventralis thalami (ra. ve. th.) begrensd. Want er is tusschen hem en die straling een nieuwe kern gekomen, de nucleus geniculatus medialis (n. gen. med.), hier voor de eerste maal geraakt.

Het overblijfsel van de radiatio ventralis thalami scheidt thans den nucleus geniculatus medialis van den nucleus ventralis (n. ve.), die eveneens op het punt staat van te verdwijnen.

Wat van de radiatio ventralis over is, zendt nog altijd vezels in de nuclei praebigeminalis en ventralis en is nog altijd gericht naar de parafasciculaire kern (n. pa. fa.), die thans, nu de fasciculus retroflexus (f. ret.) volkomen vrij is gekomen van het ganglion habenulae, dezen bundel van M e y n e r t omgeeft.

Krachtig is nog altijd de stria medullaris ventralis thalami. Ook deze put zich door stralingen naar den aangrenzenden nucleus ventralis thalami uit. Maar zij vloeit ook samen met de zeer machtige straling, die uit de roode kern afkomstig is en die in Bd. IV, p. 77—79 beschreven werd en in fig. 535 werd afgebeeld.

Met deze stria rust de thalamus op de intusschen zeer machtig geworden regio subthalamica, waarin men den nucleus subthalamicus herkent.

In de volgende doorsnede wordt het caudale einde van den thalamus bereikt. Het massief van de roode kern verschijnt op het oogenblik, dat de nucleus geniculatus medialis wordt getroffen, en dringt het caudale einde van den thalamus in dorsale richting.

Hoe dit geschiedt, is in fig. 694 in beeld gebracht. Zij geeft de teekening eener doorsnede naar een N i s s 1-praeparaat, dat iets meer caudaal-waarts ligt dan de vorige teekening.

Men ziet, dat de voorste heuvel van het mesencephalon weer grooter is

Sluiten