Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boven den Aquaeductus S y 1 v i i (Aq.) ziet men de commissura posterior (c. po.) omgeven door het centrale buisgrauw (s. gr. cent.), waarin men de meest frontale bijkern van den nucleus N. III, den nucleus Darkschew 11 z berkent. Ten slotte vindt men tusschen de commissura posterior en de roode kern, den fasciculus retroflexus (f. retr.) met de eigen kern (n. pa. fa.), die de laatste vezels uit de radiatio ventralis tbalami opvangt.

6. Experimenteele ervaringen over de kernen van den thalamus bij het kon ij n.

Nu wij de verschillende kernen van den thalamus opticus bij het konijn hebben leeren kennen, rijst vanzelf de vraag, om welke reden eigenlijk omvang, uitbreiding en structuur van elk dezer kernen zoo uitvoerig en met zoo veel zorg beschreven werd.

Toch ligt de reden voor deze minutieuse beschrijving voor de hand. Toen C. v o n Monskow in 1882 voor het eerst dit complex van kernen experimenteel heeft bewerkt, meende hij te mogen besluiten, dat elk dezer kernen afhing van een bepaalde afzonderlijke schorszone. Hoezeer deze onderzoeker op dat oogenblik zijn tijd vooruit was, wordt wel duidelijk, wanneer men toegeeft, dat zelfs nog heden de indeeling der thalamus-kernen' zooals hij die in 1882 heeft gegeven, altijd de grondslag is gebleven voor alle latere onderzoekers. Toch zullen wij later (pag. 283) uiteenzetten, wat v o n fonakow werkelijk bedoeld heeft. Sedert dien echter is er een geduchte hoeveelheid arbeid, zoowel op experimenteel gebied als op dat der vergelijkende anatomie, besteed aan de studie van dit samengesteld geheel van kernen.

Zooals ik straks reeds heb opgemerkt, acht ik in de literatuur daarover twee gebeurtenissen van het meeste gewicht. De eerste gebeurtenis van beteekems was: N i s s I's doorsnijding van de corona radiata bij het konijn en de op die wijze verkregen, volkomen afscheiding van de hersenschors en den thalamus (1913), terwijl beide door de operatie niet werden gedeerd.

Het bleek toen, dat er een kern was, door N i s s 1 met den naam van nucleus praebigeminalis aangeduid, welke, ondanks de volkomen afscheiding, door doorsnijding der corona radiata tusschen thalamus en hersenschors tot stand gebracht, toch niet in sterke mate veranderde. De cellen dezer kern bleven weinig veranderd voortbestaan en men mocht dus aannemen, dat deze kern stellig geen vezels naar de hersenschors zond.

Korten tijd later (1922) gelukte het aan D' H o 11 a n d e r, met behulp der March i-methode, aan te toonen, dat er 12 dagen na de schors-exstirpatie bij het konijn, op een oogenblik dus, dat een axipetale degeneratie, volgens van Gehuchte n's gedachtengang, zich nog niet kon doen gelden, een ongekend groot aantal vezels in centrifugale richting ontaard waren.

Het aantal cortico-fugale vezels voor den thalamus was dus veel grooter, dan men zich ooit had durven voorstellen. Hij verdeelde deze vezels in corticothalamische vezels en cortico-tectale vezels en toonde aan, dat de laatste

Sluiten