Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen naar het tectum, maar voor een groot deel naar een prae-tectale kern gingen, waarmee hij N i s s I's nucleus praebigeminale kern bedoelde, al bleef hij die kern nucleus posterior thalami noemen.

Door deze beide waarnemingen is er een weinig orde gebracht in de verwarring, die ten opzichte van het caudale einde van den thalamus bestond, en die nog niet volkomen is opgeheven.

Daar was een kern gelegen, die haar cellen niet verloor als de geheele schors werd weggenomen (N i s s 1), ofschoon er een buitengemeen groot aantal cortico-tectale vezels (D' Hollander) heen gingen. Die kern mocht niet worden gerekend tot hen, wier vezels naar een bepaald schorsveld worden geprojecteerd. De oorspronkelijke opvatting van von Monakow moest dus ten opzichte van dezen nucleus praebigeminalis (nucleus posterior) worden gewijzigd.

Voorts was de arbeid van von Monakow de oorzaak, dat er van allentwege experimenteele en pathologisch anatomische onderzoekingen werden verricht over de verhouding, waarin elke kern afzonderlijk stond tot bepaalde heröengebieden.

Allereerst werd veel arbeid besteed aan het onderzoek van den nucleus geniculatus lateralis, die eenerzijds den tractus opticus opneemt en anderzijds een omschreven straling uitzendt naar de schors van de achterhoofdskwab.

Toen ik in 1917 in het eerste deel van dit handboek het optisch zenuwstelsel heb geschetst, hadvonMonakow zijn werk reeds verricht. Allereerst had hij de plaats van deze kern bij het konijn, lateraal tegen den thalamus aan, bepaald en ook het bewijs geleverd, waarom deze kern bij voortschrijdende ontwikkeling der laterale en achterste kernen van den thalamus in ventrale richting wordt gedrongen, zoodat deze kern bij den mensch geheel ventraal en buiten den thalamus wordt gevonden. Ik heb dit destijds in dit boek (Deel I, fig. 38—41, p. 85) ook toegelicht, al zal ik erop hebben terug te komen.

Voorts had von Monakow ook het bewijs geleverd, dat althans de beide dorsale afdeelingen van den nucleus geniculatus lateralis hare cellen en vele vezels verliezen, wanneer het occipitale gedeelte van de hersenschors

bij het konijn werd weggenomen.

Ofschoon elke twijfel aan de juistheid dezer meening was buitengesloten, was ik toch van meening, dat men, wilde men bij het konijn deze kern geheel doen verdwijnen, een zeer grooten omvang moest geven aan het defect in het occipitale gedeelte der hersenschors. Die meening heb ik door teekeningen toegelicht (Deel I, fig. 36 en fig. 37, p. 81 en 82).

Bovendien had von Monakow, door zijn uitvoerige studies over de pathologisch-anatomische uitbreiding der straling uit den nucleus geniculatus lateralis bij den mensch, vastgesteld, dat deze optische straling door het driehoekige veld van Wernicke heen, in den lateralen mergband dei strata sagittalia was gelegen. Ook dit werd door mij bevestigd, zoowel pathologisch-anatomisch door de demonstratie van de z.g. degeneratie-streep van Dé j ér ine (Deel I, fig. 48, p. 98 en ff.) als embryologisch door de demon-

Sluiten