Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeeman een zeer groot veld voor de localisatie der gele vlek en een veel kleiner veld voor de localisatie van het perifere zien, veel meer nadert tot de meening van v o n Monakow, dan tot de meening van Henschen.

De centrale projectie op de schors uit de kernen van den thalamus schijnt mij overigens niet zoo eenvoudig toe, als men gewoon is haar voor te stellen.

Tot zoover voorloopig over den nucleus geniculatus lateralis, waarop wij later nog uitvoerig zullen moeten terugkomen.

Wat de overige kernen van den thalamus betreft, liggen de vragen nog iets anders. Toen von Monakow in 1882 voor het eerst de meening uitsprak, dat elke thalamus-kern een eigen veld op de schors zou bezitten, moest hij komen tot een bepaalde indeeling ervan.

Zij was ook voor hem beproefd door Burdac h en door Luys. Het laatst was zij gegeven door G a n s e r in zijn boek over de hersenen van den mol.

Von Monako w's uitgangspunt was de indeeling van Ganser. Hij liet haar eerst varen, toen hij door de onderzoekingen van M u n k, overtuigd was geworden van het bestaan van physiólogische schorsvelden.

Hij toonde toen aan, dat de verwijdering van M u n k's physiologisch schorsveld voor het zien bij het konijn gevolgd werd door een atrophie met celverlies in de dorsale afdeeling van den nucleus geniculatus lateralis. Hij wist echter beter dan iemand anders, dat dergelijke physiologische schorsvelden niet de projectie eener enkele kern uit den thalamus opnemen.

Vandaar ook, dat de eerste twee conclusies zijner verhandeling van 1882 luiden. ,,Nach Exstirpation umschriebener Rindenregionen neugeborener „Kaninchen gehen die von letzteren abhangigen Bahnen isolirt zu Grunde „und zwar ohne Rücksicht auf ihre physiologischen Bedeutung. Mit je einer „Rindenzone steht meist mehr als eine Bahn in genauer Beziehung."

Wat hij dus aan M u n k tot steun van de localisatie der zintuigsfuncties op de hersenschors gaf, nam hij vooraf al voor een groot gedeelte terug, door de erkenning, dat er geen physiologisch resultaat bereikt was en dat er meer dan één baan met elk projectie-veld in verband stond.

Sedert zijn tijd is in de plaats van het physiologisch schorsveld, de ,,area striata" of de 17e zone van Brodmann gesteld. Wel bezitten noch konijnen, noch katten, noch honden een duidelijke area striata, al heeft men getracht een bepaalde zone eenigermate daar aan te passen. Bij apen en menschen komt echter een scherp omschreven area striata voor.

In zeker opzicht is dit voor hen, die bij konijnen, katten of honden experimenteeren, gemakkelijk. Men kan het veld aan het occipitale schorseinde, dat men area striata noemen mag, zoo groot nemen als men maar wil. Ook zoo groot, dat bij de verwijdering ervan alle cellen uit den nucleus geniculatus lateralis verdwijnen. Dan echter wordt bij deze dieren de area striata veel grooter, dan ooit het physiologisch schorsveld van M u n k is geweest. Aan zulk een petitio principii -— om de niet scherp gedefinieerde area striata bij konijn, kat en hond zoo groot te maken, dat alle cellen in den nucleus geniculatus lateralis teniet gaan — lijden naar mijn meening, de meeste onder-

Sluiten