Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoekingen, welke de stelling verdedigen, dat bij die dieren de wegneming der area striata gevolgd wordt door een volkomen atrophie der genoemde kern.

Bij apen heb ik zelf nooit beproefd de area striata te verwijderen. Daar bestaat duidelijk een area striata, scherp afgescheiden tegen de omgeving. Slechts eenmaal heb ik de hersenen van een aap onderzocht (Cynomolgus), bij welken Prof. Sherrington voor Dr. Ada Potter de achterhoofdskwab van de rest der hersenen had afgesneden, en heel wat meer dan de area striata verwijderd had.

Bij dien aap waren, bepaaldelijk in het mediale gedeelte een groot aantal cellen in den nucleus geniculatus lateralis behouden gebleven, ofschoon de strata sagittalia doorsneden waren.

Naar mijn meening is de projectie der kernen van den thalamus buitengemeen samengesteld en eigent zich volstrekt niet om geperst te worden in het keurslijf: „iedere kern bezit één bepaalde anatomisch scherp gekenmerkte schorszone".

Het slot van de experimenteele bemoeienissen daarmede zal dan ook gewijd zijn aan een bewijsvoering, dat bij konijnen elke ingreep op de schors veel meer in den thalamus tot atrophie brengt, dan de enkele kern, wier atrophie men beoogt.

Onder den indruk der experimenten van von Monakow (1882), heb ik deze onderzoekingen vele jaren later uitvoerig herhaald (1910—1913) en zeer vele partieele hersenschors-beleedigingen bij pasgeboren dieren, katten, honden en vooral konijnen aangebracht. Nog heden beschik ik over een dertigtal volledige series, die vanaf de geheele vernietiging der hersenschors gaan tot aan zeer kleine en oppervlakkige laesies toe. Toen deed ik de ervaring op, dat von Monako w's onderzoekingen volkomen juist en zijn tijd vooruit waren, maar bovendien leerden mij deze experimenten, dat daarnevens iets was, dat von Monakow volstrekt niet was ontgaan, maar dat ik eerst vele jaren later heb begrepen.

Inderdaad werpt iedere kern van den thalamus een projectie naar een bepaald schorsgebied. Dit gebied zou ik echter geenszins durven identificeeren met een zone van een bepaalden anatomischen bouw. Ditzelfde schorsgebied neemt even constant ook projecties uit andere kernen, andere banen als men wil, op, of zendt naar andere kernen projectie-stelsels uit.

Naast het hoofdgebied, waarheen een bepaalde kern met haar projectie streeft, zijn er altijd nog andere gebieden, waarheen diezelfde kern een minder omvangrijken bundel heenzendt of waaruit zij een straling ontvangt en er bestaat een zekere wetmatigheid in de verhouding dezer gebieden tot elkander.

Ik zal deze uitspraak toelichten en een viertal der meest sprekende gevallen uit deze verzameling beschrijven. Daartoe kies ik in de eerste plaats datgene wat er gebeurt, als men bij een konijn een der achterhoofdspolen wegneemt en maak er opmerkzaam op, dat alle proefdieren aan de rechter zijde zijn geopereerd.

Daartoe heb ik de serie X gekozen, die doorsneden bevat van een konijn, dat in Aug. 1911 is geopereerd en in Mei 1912 is opgeofferd. Naar mijn meening is de operatie goed gelukt en zijn de bevindingen er bij in fig. 699 afgebeeld.

Sluiten