Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch, wordt bepaald door een aantal met elkander samenhangende feiten, waarover wij in de voorafgaande paragraaf reeds hebben gesproken.

1. De voortschrijdende massale ontwikkeling der ventrale en vooral der laterale kernen. Zij hangt af van de functioneele ontwikkeling der extremiteiten. Bij het konijn, waarvan de extremiteiten nog slechts een zeer eenvoudige functie bezitten, is de laterale kern klein. Bij kat en hond worden de bewegingen der extremiteiten omvangrijker. Zij worden bij den gang alterneerend bewogen, de voorste extremiteiten worden als grijpwerktuigen gebruikt, de achterste spelen een zeer belangrijke rol als steunapparaten voor het lichaam. De laterale kernen en de ventrale kernen nemen in omvang toe. Bij den aap, die nog veel meer dexteriteits-bewegingen met de voorste extremiteit maakt, is de laterale kern nog veel grooter geworden, en de achterste extremiteit speelt in nog grooter mate een rol, deels als grijpwerktuig, deels als steunapparaat bij de lichaamshouding.

Bij den mensch eindelijk hebben de dexteriteits-bewegingen der voorste extremiteit een hoogtepunt bereikt, tot breien, teekenen en schrijven toe. Voorts is hij door zijn opgerichten gang in het bezit gekomen van een zeer hoog georganiseerd regelend geheel voor de lichaamshouding, waarin de achterste extremiteit een nieuwe rol speelt. Bij den mensch is dan ook de laterale kern uitgegroeid tot een omvangrijk pulvinar en is de ventrale kern zeer machtig.

2. De reductie van het mesencephalon, die toeneemt, naarmate de rol, die de hersenschors functioneel gaat spelen, grooter wordt.

Bij het lissencephale konijn bestaat een zeer groot aantal cortico-tectale vezels. Zij vormen een machtige, den nucleus geniculatus lateralis met een breeden mantel omvattende, radiatio optica, welke die vezels geleidt naar den, bij dit dier, hoog gedifferentieerden en grooten colliculus anterior mesencephali.

Bij gyrencephale roofdieren is de radiatio optica en de voorste heuvel van het mesencephalon minder gedifferentieerd en minder omvangrijk. Bij den aap is dit in nog sterkere mate het geval en bij den mensch is de radiatio optica maar klein en de dorsale wand van den voorsten mesencephalen heuvel tot een zeer dumie laag geworden.

Waarschijnlijk hangt dit samen met de grootere eischen, die aan de lichaamshouding worden gesteld, om zich aan te passen aan de steeds toenemende eischen der zoo uiterst omvangrijke en gespecificeerde dexteriteitsbewegingen.

Bij het konijn kan die aanpassing nog door het mesencephalon worden verricht, bij kat en hond worden de daarboven gelegen automatismen in gebruik genomen, bij den aap en nog meer bij den mensch, wordt het gespecialiseerde geheel dezer bewegingen bijna in vollen omvang door den thalamo-cortex verricht.

3. De zeer groote toeneming in omvang van de middelste thalamus-

Sluiten