Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts ziet men in fig. 706 A, dat een deel der middelste thalamusstraling ook ventraal van den nucleus geniculatus lateralis ligt. Deze kern wordt door die straling gevat als tusschen de bladen van een tang, van welke het dorsale blad verreweg het machtigste is. Zij wordt dus occipitaal-waarts en ventraalwaarts gedrongen, gelijk men het nog beter ziet op een volgende doorsnede, die in fig. 706 B is afgebeeld. De kop of het frontale einde van den nucleus geniculatus lateralis is naar achteren en beneden gedrongen en kantelt zoodanig, dat de laterale zijde meer en meer ventraal komt te liggen.

Het occipitale einde dezer kern, dat in fig. 707 is afgebeeld, heeft die -anteling al verricht. Nog ligt de kern dorsaal van den nucleus geniculatus medialis, maar zij wordt ventraal door den tractus opticus omvat en ligt meer en meer ventraal. De radiatio optica, die de kern omvat, is klein geworden en aan de dorsale zijde der kern ziet men, dat zij nog voor de laatste rest der middelste thalamus-straling wordt ingedrukt.

Wat bij de kat is begonnen en op kleine schaal heeft plaats gevonden, is bij den aap en vooral bij den mensch op veel grooter schaal tot stand gekomen!

Fig. 708 geeft een voorstelling daarvan. Zij is een afbeelding van een Weiger t-praeparaat uit de hersenen van een kind van een jaar, gesneden volgens de snee-richting van M e y n e r t.

De doorsnede treft den voorsten mesencephalen heuvel en gaat tevens door het pulvinar thalami optici en de beide nuclei geniculati.

Bij den mensch echter hebben de ventrale kern en vooral de laterale kern een buitengewoon sterke ontwikkeling bereikt. De laatstgenoemde is naar achteren uitgegroeid tot het, in deze doorsnede getroffen, lijvige pulvinar.

e menschehjke middelste thalamus-straling beantwoordt door haar zeer

grooten omvang aan de sterke ontwikkeling dezer kernen. Zij heeft den

nucleus geniculatus lateralis in zijn geheel, zoowel het voorste als het achterste

stuk der kern in occipitale en ventrale richting weggedrongen. Daarbij heeft

zij tevens de kern, in zóó sterke mate doen kantelen, dat de rijen van groote

cellen (bij het konijn (zie fig. 692. a.) nog lateraal langs de radiatio optica

gevonden) bij den mensch ventraal worden aangetroffen. Ten slotte wordt die

kern met meer dorsaal maar lateraal van den nucleus geniculatus medialis gevonden.

In fig. 708 ziet men de meest naar achteren (occipitaal-waarts) gelegen afdeelmg der menschelijke middelste thalamus-straling. Voor een groot eel wordt te dezer hoogte die straling opgebouwd uit cortico-tectale vezels. Zooals men in fig. 708 ziet, gaan zij over in de radiatio optica (fig. 708. rad. opt.) en van daar in den voorsten mesencephalen heuvel. Voor een ander deel wordt zij ook door cortico-thalamische vezels gevormd. Die vezels omvatten het pulvinar thalami, voorzien deze afdeeling der laterale kern en stralen voorts in de beide nuclei geniculati uit.

De nucleus geniculatus lateralis wordt aan zijn dorsale zijde door de middelste thalamus-straling ingedrukt en daar ter plaatse ontspringen wederom een aantal vezels voor de radiatio optica naar den voorsten heuvel van het

WINKLER V.

Sluiten