Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien waren bij dien lijder, die van 1924—1931 onder behandeling was geweest, allerlei stoornissen van den gang waargenomen. Onzekerheid bij het gaan, vooral wanneer hij zich wilde omwenden. Bij het staan met gesloten oogen, maakte hij voortdurend afwisselende voorwaartsche en achterwaartsche bewegingen met den romp.

Bij de autopsie werd er inderdaad een hersengezwel gevonden. In fig. 720 A is er een snede door de hersenen afgebeeld, die door het voorste gedeelte van dit gezwel heengaat. Deze snede treft het gezwel tweemaal, vooreerst dorsaal in den ventriculus lateralis en dan, ventraal langs de ventrale basis van den hersensteel. De tumor drukt hier nog even op den thalamus, omhult naar achteren den rechter thalamus en dringt in het achterste gedeelte van den thalamus door.

Voorts is ter vergelijking in fig. 721 een snede door een meer occipitaal gedeelte van dit gezwel afgebeeld, waar de beide stukken er van zich vereenigd hebben en in den thalamus zijn voortgewoekerd. Men herkent den thalamus, begrensd tusschen de twee stukken der tela chorioidea, die mediaal tegen den fornix en lateraal tegen de stria terminalis aan zijn gelegen. Het weefsel van den thalamus is hier geheel en a.1 door tumorweefsel vervangen en zoowel de habenula, als de nucleus praebigeminalis zijn hier te zamen met den nucleus lateralis geheel vernield. Daar waar in fig. 720 de tumor nog op den thalamus drukt en zelfs vrij ver occipitaal-waarts is er geen celverandering in den thalamus meer waarneembaar.

Nog meer occipitaal-waarts eindigt de tumor in het pulvinar thalami en drukt den nucleus geniculatus lateralis in mediale en ventrale richting weg.

Dit gezwel neemt dus ongeveer dezelfde plaats in, als het geval was bij den tumor, die door Dr. vanAndel beschreven is geworden (zie fig. 719).

Merkwaardig is, dat daarmee gepaard gaat een vrij sterke atrophie der hemispheren der kleine hersenen, die aan de gekruiste zijde overweegt, maar ook in de ongekruiste hemispheer nog vrij intensief is. Daarentegen is er in den pons Varoli of in de medulla oblongata nergens celverandering in de ponskernen of in de onderste olijfkernen te ontdekken.

In een celpraeparaat, of in een dubbelkleuring van cellen en vezels kan men de uitbreiding dier atrophie reeds met het bloote oog herkennen, want de lamina granularis heeft een zeer groot aantal korrels verloren en kleurt zich dientengevolge niet meer.

In fig. 720 B is daarom een afbeelding gegeven van een kleine-hersendoorsnede, op ongeveer normale grootte, ontleend aan een coupe met dubbelkleuring \an We ige r t-Pa 1 met karmijn. Zij gaat door het vooreinde van het cerebellum. Het verlies van korrels in de lamina granularis strekt zich vooral aan de bovenvlakte der kleine hersenen uit. De korrels in de lamina granularis zijn daar in grooten getale verdwenen en men neemt deze ongekleurde lamina granularis wegens het gemis aan tegenstelling met de eveneens ongekleurde lamina molecularis aan de bovenzijde van het cerebellum niet waar, terwijl zij langs de onderzijde langs elke mergspaak, onmiddellijk als een intensief gekleurde laag, tusschen haar en de lamina molecularis, zichtbaar wordt. De

Sluiten