Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hormoon, is ook bij mannelijke dieren en bij den man aangetoond en wel in den testis en in de urine. Het is alleszins waarschijnlijk dat dit hormoon een rol speelt bij het ontstaan der gynaecomastie, vooral wanneer deze door haar wijze van ontwikkeling den puberteits-groei van de vrouwelijke borst nabootst. Het feit dat in gevallen van gynaecomastie zoo vaak een minderwaardige geslachtsklier gevonden wordt, doet eraan denken, dat in de beschadigde testes de spermiogenese en de productie van het zoogenaamde mannelijke hormoon het eerste ophoudt, waardoor een (wellicht slechts relatief) overschot aan follikelhormoon („vrouwelijk hormoon") zou kunnen ontstaan. Toch zal deze verklaring niet voor alle gevallen van toepassing zijn en zal men dikwijls een bijzondere gevoeligheid van de mamma voor hormonale (en ook andere) prikkels moeten aannemen. Dit zal vooral gelden voor unilaterale gynaecomastie en voor die gevallen waar verder geen afwijking van het endocrinon wordt gevonden. De gynaecomastie kan ook familiair voorkomen en dan is er zeker reden om aan een erfelijkheidsfactor te denken.

Behalve ovarium en testis, werken op de mamma ook nog de hypophyse, de schildklier en de bijnier.

In de hypophyse voorkwab wordt het prolactine gevormd, waarmede men de melkklieren van dieren, mits deze een zekeren graad van ontwikkeling hebben bereikt, tot melkafscheiding kan prikkelen. Dit hormoon zal dus naar alle waarschijnlijkheid betrokken zijn bij die gevallen van gynaecomastie, die een belangrijke melkafscheiding vertoonen. De voorwaarden, waaronder de werking van prolactine tot uiting komen, worden voor een groot deel bepaald door de voortplantingsorganen. O.m. is het bekend, dat de aanwezigheid van veel follikelhormoon de melksecretie remt, terwijl een plotselinge vermindering van dit hormoon de secretie op gang kan brengen.

Deze wordt verder beïnvloed door mechanische prikkels op de tepels en door de aanwezigheid van den uterus.

Sluiten