Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ORGAANTHERAPIE BIJ ZIEKTEN VAN HET BLOED EN VERWANTE TOESTANDEN

De praktijk der levertherapie van de anaemia perniciosa is door Hijmans v/d Beegh in een vorigen bundel van deze „Aanwinsten" uitvoerig beschreven. Gelijk bekend, heeft het succes van deze behandeling niet alleen de prognose van deze tot nu toe zoo ernstige ziekte geheel veranderd, zij heeft ook den stoot gegeven tot een verandering van onze inzichten omtrent het wezen der anaemia perniciosa. Bij het toedienen van lever ziet men niet als eerste en meest constante verschijnsel een ophouden der haemolyse, doch wel een zeer snellen aanmaak van jonge cellen door het beenmerg. Dit bevestigde den indruk, dat de anaemie niet zoo zeer door overmatige bloedafbraak werd veroorzaakt als tot nu toe veelal werd aangenomen. Veeleer kwam men er toe, na de ontdekking van Min ot, de ziekte te beschouwen als een deficiëntieziekte, waarbij een bepaald, voor den opbouw van rood bloed onontbeerlijk bestanddeel aan het beenmerg tot nu toe was onthouden, hetwelk eerst met de lever werd toegevoerd. De proeven van Castle, eveneens door Hijmans v/d Beegh beschreven, hebben aan dit inzicht een experimenteelen steun gegeven. Op grond hiervan beschouwt men op het oogenblik de anaemia perniciosa als een z.g. voorwaardelijke deficiëntieziekte. Bij een deficiëntieziekte namelijk, zooals wij die in de beri-beri, pellagra en dergelijke kennen, ontstaat de deficiëntie wanneer de mensch door de uitwendige omstandigheden gedwongen wordt, gedurende langen tijd een eenzijdig onvolwaardig voedsel tot zich te nemen. Bij de voorwaardelijke deficiëntie is het voedsel als regel volkomen toereikend, doch er bestaat een stoornis in de verwerking hiervan, zoodat tenslotte het lichaam toch

Sluiten