Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soms het zoutzuur uit de maag en treedt een anaemie op, welke meestal van hypochroom karakter is. Deze anaemie reageert doorgaans vlot op toediening van groote doses ferrum reductum met pepsine-zoutzuur. Daarnaast kunnen evenwel bij patiënten met uitgebreide („subtotale") maagresecties, meestal pas na jaren, verschijnselen van hyperchrome anaemie zich voordoen. Blijkbaar is dan door de operatie dezelfde toestand van gebrek aan intrinsic factor opgetreden, welke wij bij de beginnende pernicieuze anaemie door tot nu toe onbekende oorzaak waarnemen. Ook bij deze zg. agastrische anaemie heeft lever een regelmatige verbetering teweeg geroepen.

Er schijnt een verband te bestaan tusschen de resorptie van p.a. factor uit het darmkanaal en vetdiarrhee. Immers bij allerlei toestanden, waarbij vetdiarrhoe voorkomt (spruw, maag-jejunum-colonfistel, Herter'sche ziekte) kan zich een macrocytaire anaemie ontwikkelen. Weliswaar blijkt dan het maagsap van deze patiënten normaal te zijn, doch blijkbaar wordt met de vetzuren, die in groote mate het darmkanaal ongeresorbeerd verlaten, ook de p.a. factor verwijderd. Er zijn enkele bewijzen om aan te nemen, dat deze factor een organische base is. Indien dit zoo is, kan men zich op eenvoudige wijze voorstellen, dat de vetzuren in den darm zich met deze base verbinden en aldus haar resorptie verhinderen. In elk geval is thans begrijpelijk, hoe het komt, dat spruw zoo vaak met een macrocytaire anaemie gepaard gaat. Deze anaemie reageert dan ook prompt op de toediening van lever, vooral parenteraal.

Bij de behandeling der spruw kan men, daar immers de intrinsic factor in den maaginhoud aanwezig is, ook succes bereiken door de toediening van stoffen, welke een overmaat extrinsic factor bevatten. Hiervan kennen wij op het oogenblik vooral vleesch en sommige gistpraeparaten. Onder deze laatste heeft het marmite ons als ondersteuning van de levertherapie reeds herhaaldelijk bijzonder goede diensten bewezen. Wij geven hiervan

Sluiten