Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nager en Meyer komen op grond van hun studie van allerlei ziekten van het skelet, waarin het petrosum mee betrokken kan worden, tot de gevolgtrekking, dat de otosclerose een reactie van het been resp. beenmerg is op verschillende prikkels, zoodat er mogelijk meerdere oorzaken verantwoordelijk zijn.

Als op het oogenblik meest op den voorgrond tredende andere opvattingen over het wezen dezer ziekte mogen vermeld worden:

Wittmaack meent, dat de oorzaak stuwing in beenvaatjes is. Hij meent dit te hebben kunnen aantoonen door experimenten bij kippen. Een uitmuntend oto-histoloog als Gray geeft toe, dat het in de experimenten nieuw-gevormde been gelijkt op dat bij de otosclerose en dat stuwing ervoor verantwoordelijk is. Doch daarmee is de causale factor van de ziekte nog niet aangegeven. Otto Mayer ziet er een proces van reparatie in van kleine fissuren, die men veelal kan vinden. Gray acht het twijfelachtig of de fissuren deze belangrijke beteekenis hebben. Ook is hiermee het wezen der ziekte niet verklaard. Frazer meent, dat infectieuze middenooraandoeningen een rol spelen. Gray zelf ziet in otosclerose een degeneratief proces, dat het geheele gehoororgaan treft van de uitwendige gehoorgang tot in de cortex. Hij meent alle verschijnselen terug te kunnen voeren op een gedeeltelijke insuf/icientie van het vasomotorische systeem van het acustische orgaan, zoowel het slechte gehoor, het oorsuizen, gedeeltelijk verlies van den vasomotorischen reflex van het trommelvlies (vaatvulling bij irritatie), het typische roode doorschemeren van het promontorium als het gemis van den „Kitzelreflex" in de gehoorgang (Fröschels) en de veelal gevonden afwijkingen van de nerveuze zintuig-elementen.

Bij de bespreking van de veranderingen in het bloed en in de stofwisseling bij otosclerose, hun verhouding tot den otosclerose-haard en de inwendige secretie wijst Leicher op de verschillende onderzoekingen uit de kliniek van Yosz te Frankfort: 1°. Vermindering van de totale hoeveelheid bloedlcalk in ± 80 % van de gevallen (Leicher). Deze vermindering is alleen beneden i 45 jaar aantoonbaar, omdat daarna de physiologische \ ermindering optreedt; 2°. Het cholesterine-gehalte is verminderd (ook alleen vóór het 45ste jaar van beteekenis) (Berberich). 3°. Relatieve vermeerdering van de albumine- tegenover de globuline-tTa,ctie (Stern en Leicher); de uitvlokkmgsreactie van Kahn is vaak positief. Br is toch geen "v erandei ing

Sluiten