Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is overigens begrijpelijk; want noch voor de diagnose noch voor de therapie is histologisch onderzoek bij het goed bekende ziektebeeld van de typische ziekte noodig. Trouwens langzamerhand geldt dit ook voor den atypischen vorm; maar al is verder onderzoek zeker gewenscht, voorloopig is het ongemotiveerd om hier twee scherp gescheiden ziekten aan te nemen. Toch wil O'Leary op grond juist van het voorkomen van slijm en het voorkomen bij den morbus Basedow niet van atypisch tubereus myxoedeem maar van „localised solid edema bij exophthalmic goiter" spreken. En Mac Leod gaf bij een discussie, die volgde op de demonstratie van het eerste in Engeland (in 1934, door Dowling) getoonde geval te kennen dat, het beter was te spreken van mucoide degeneratie van de huid gepaard gaande met hyperthyreoidisme.

Intusschen staat het redelijk vast, dat bij het myxoedema atypicum planum et tuberosum crurum symmetricum niet van oedeem, doch van myxoedeem sprake is; de ervaring heeft ons tot dusver geleerd, dat dit myxoedeem alleen voorkomt bij stoornis van de functie der schildklieren, meestal gepaard gaat met verlaagde of verhoogde grondstofwisseling. Men mag derhalve aannemen, dat deze functiestoornis ontstaansvoorwaarde is. Er moet echter nog een andere factor (c.q.factoren) in het spel zijn; want stoornissen van de schildklierfunctie komen veel frequenter voor dan dit myxoedeem. Maar welke factor dat is, staat onvoldoende vast. Wij namen bij ons geval locale koude aan. Keining heeft aan een overigens zeer problematische, dysfunctie der schildklier gedacht. Go lijn er stelde de hooge concentratie van het circuleerende (hypothetische) thyreoidine aansprakelijk, dat aan de onderbeenen slecht verdragen worden zou (doch deze verklaring schiet te kort voor de andere localisaties), terwijl het door de slechte circulatie en het tekort aan zuurstof tot de vorming van slijm komen zou, omdat de stofwisseling relatief te laag is. Maar deze verklaring leidt aan het euvel, dat zij hoogstens gelden zou voor de gevallen met hyperthyreoidisme. Urbach beriep zich bij zijn geval met hypothyreoidisme op plaatselijke gevoeligheid voor bepaalde vergiften; maar hier is weer het bezwaar, dat bij hypofunctie geen bepaalde vergiften gevonden zijn.

Sluiten