Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de fixeervloeistof inkrimpen en de randvacuolen ontbreken. Zoover schijnt bij de verschillende onderzoekers een vrij groote overeenstemming te bestaan; in de beoordeeling van het epitheel, waar het tenslotte toch op aankomt, wijken echter de meeningen zeer uiteen.

Bij de Noord-Duitsche schildklieren wordt het epitheel in den ouderdom beschreven als lage kubische cellen, die vaak door opgehoopt en ingedikt colloid aan plaveiselcellen doen denken. Door andere onderzoekers wordt echter gesproken van hooge kubische cellen en verder van het voorkomen van abnormaal groote cellen met helder, gezwollen protoplasma gevuld, wat als een teeken van degeneratie wordt opgevat. Daarentegen hebben onlangs Italiaansche onderzoekers, Dogliotti en Nizzi beweerd, dat het epitheel van deze schildklieren zich juist in een actieveren toestand bevindt, hetwelk herinnert aan dat van Basedowlijders; de verhoogde granuleering verklaren zij in dien zin. Echter niet slechts in de verklaring maar ook in de beschrijving van den feitelijken toestand wijken zij van vroegere onderzoekers af: in plaats van een vermeerderd geven zij een verminderd colloidgehalte aan, wat zij verklaren uit een verhooging van de resorptie.

W anneer ik als leek op histologisch gebied op ervaringen van den allerlaatsten tijd in ons eigen laboratorium mag wijzen, blijkt hieruit, dat het histologische beeld bij hetzelfde dier zeer sterk kan varieeren, naarmate men met formol of met Susa (sublimaat enz. en formaline) heeft gefixeerd, zoodat in het ééne geval het oordeel als „zeer weinig actief" en in het tweede geval als „vrij sterk actief" uitviel. Misschien ligt hier een aanwijzing voor rechtmatige twijfel aan een oordeel over de functie van een orgaan op grond van histologische waarnemingen en moet men vooral zeer voorzichtig zijn met vergelijkingen tusschen de waarnemingen van verschillende laboratoria, zoolang men niet overtuigd is van de identiteit der gebruikte fixeeringsmethodes.

Bij de onderzoekers bestaat wel overeenstemming aangaande de toeneming van het bindweefsel, een scleroseering, die zich ook bij de arteries bemerkbaar maakt.

Wegelin meent, dat het stroma werkelijk op kosten van het parenchym toegenomen is, dat primair te gronde is gegaan. Ook wanneer dit het geval is, zou natuurlijk een verhoogde functie van het overige parenchym het morphologische verlies op bepaalde plaatsen kunnen nivelleeren.

Sluiten