Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wel van stukjes menschelijke testes. Apen-testes werden in 1920 door Voronoff ingeplant en het feit, dat ontegenzeggelijk resultaten ook bij zoogdieren worden gezien, rechtvaardigt hier niet slechts het ernstig voortzetten van deze pogingen, doch verplicht zelfs hiertoe. Immers in meer dan een dozijn zeer gunstig bekend staande laboratoria, zijn homoplastische transplantaties (bij caviae, ratten, katten, honden, paarden, runderen) met zoo opvallend gunstige resultaten verricht, dat het dwaasheid zou zijn, deze in twijfel te trekken. Op hen, die daaraan twijfelen zal nog bijzonderen indruk maken, dat de Fransche regeering tamelijk veel geld ter beschikking heeft gesteld, om bij schapen de wolproductie door transplantaties te verhoogen.

Practische beteekenis heeft eigenlijk slechts de inplanting van testes van hoogere apen [chimpansé's, bavianen, meerkatten (cercopitheeus)] daar men over de organen van menschen toch slechts zelden de beschikking heeft.

Waar dit wel het geval is, moeten de gevers bij voorkeur tusschen de 19 en 35 jaar zijn. Ook bij apen wordt een bepaalde leeftijd aanbevolen, die naar de tanden en het uitzien van de sneevlakte van de testes wordt beoordeeld. Van de goede gezondheid van de te gebruiken apen moet men zich vooraf door observatie gedurende eenige weken en door onderzoek van het bloed op spirochaeten vergewissen.

De testes van andere dieren, die op zich zelf veel gemakkelijker te verkrijgen zijn, vertoonen geen werking. Hoewel vele schrijvers beweren, dat de organen dagenlang in bevroren toestand kunnen worden bewaard, moet toch zeker aan zoo vcrsch mogelijk materiaal de voorkeur worden gegeven.

De door Voronoff aangegeven methode wordt op het oogenblik het meeste gebruikt. De apentestis, die zoo lang mogelijk in situ en in verbinding met zijn vaten blijft, wordt als een sinaasappel in vieren gedeeld. Een van deze deelen, wordt na bijsnijden door middel van vier hoeknaden aan het tevoren gescarificeerde oppervlak van den menschentestis en wel op het pariëtale blad van de tunica vaginalis propria bevestigd. Van groote beteekenis schijnt te zijn, dat het getransplanteerde stuk niet langer dan 1—2 minuten zonder bloedverzorging of verbinding met den menschelijken testis blijft.

Andere methodes laten wij hier onvermeld, zoo ook de herhaaldelijk aanbevolen inplanting op andere plaatsen b.v. in de M. obl. ext. of M. reet. abdom.

Wat de resultaten betreft, verwijs ik naar de mededeelingen van Voronoff, die zeker over de meeste ervaringen beschikt; helaas zijn deze — dit moet hier wel

Sluiten