Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenals voor de zwangerschapsreactie, bij infantiele muizen in te spuiten. Men zou immers bij een muisje minstens 20 cc. urine subcutaan moeten geven, om eenige werking te zien. Het is dus noodzakelijk, het hormoon uit de urine in meer geconcentreerden vorm te winnen, waarvoor verschillende laboratoriumsmethoden bestaan. Men kan dan het hormoongehalte kwantitatief vaststellen. Hieromtrent beschikt men over de volgende gegevens.

Senium. Terwijl bij de vrouw in het climacterium regelmatig een verhoogde uitscheiding van follikelrijpingshormoon plaats heeft (zie hoofdstuk Menopauze), vindt men bij mannen op hoogeren leeftijd slechts een matige verhooging (ongeveer 100 M. E.) bij een klein percentage der onderzochte personen.

Aandoeningen der hypophyse. In enkele (lang niet alle) gevallen van acromegalie vindt men een matig verhoogde uitscheiding van follikelrijpingshormoon en soms ook van het z.g. luteiniseeringshormoon. Voor de differentieele diagnose der hypophysis-aandoeningen is dit middel echter niet te gebruiken, omdat hetzelfde verschijnsel wordt aangetroffen, wanneer de intracranieele druk chronisch verhoogd is, zonder dat de hypophyse hierbij betrokken behoeft te zijn (E. J. Kraus).

Castratie, hypogenitalisme. Vermeerderde uitscheiding van follikelrijpingshormoon is aangetoond na castratie, orchitis, atrophie van den testis.

Maligne tumoren. Evenals bij vrouwen wordt bij (extragenitale) carcinomen van den man soms een verhoogde uitscheiding van follikelrijpingshormoon waargenomen.

Gezwellen van den testis. Bij verschillende, vooral kwaadaardige tumoren van den zaadbal kan het onderzoek der urine groote beteekenis hebben. Men vindt meer gonadotroop hormoon naar mate de tumor een meer embryonaal en progressief karakter heeft (Ferguson). Excessieve waarden (50.000 M. E.) werden bij testiscarcinoom van embryonaal karakter en bij teratoide chorion-epitheliomen van

Sluiten