Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7e dag: 8 E. + 7 E. +5E.

8e dag: 10 E. + 9 E. + 8 E.

9e dag: 13 E. -j- 8 E. 5 E.

10e dag: 13 E. + 8 E. +5E. enz.

Bij aanwezigheid van insuline worden meer koolhydraten verbrand dan anders. Indien deze niet in voldoende mate met het voedsel worden toegevoerd, daalt het bloedsuikergehalte beneden het normale peil en treden verschijnselen van Jiypoglycaemie op (sterk hongergevoel, zweeten, beven, psychische stoornissen, bewusteloosheid). Ze kunnen eenvoudig door toevoer van glucose worden bestreden, mogen echter vooral niet met coma diabeticum worden verwisseld. Deze vraag is zóó gewichtig, dat wij ons hier niet met enkele onvoldoende opmerkingen tevreden mogen stellen, doch uitdrukkelijk op het artikel van Dr. Borst moeten wijzen.

Insuline veroorzaakt, behalve de vermeerderde verbranding van koolhydraten (en dienovereenkomstig verlaging van het bloedsuikergehalte en vermindering van de glucosurie), een vermeerdering van de peristaltiek van maag en darm en schijnt een gunstigen, trophischen invloed op bepaalde weefsels, vooral de lever, te bezitten.

Practische toepassing van insuline

le. Bij diabetes. Een patiënt heeft des te meer insuline noodig, naarmate zijn eigen pancreas minder insuline produceert en naarmate hij meer koolhydraten nuttigt. Hieruit volgt, dat men met diëet alleen slechts die patiënten kan behandelen, bij wie de endogene insuline-productie nog in staat is, zooveel koolhydraten te assimileeren, dat de patiënt een calorisch toereikend voedsel ontvangt en niet is blootgesteld aan het gevaar van acidose. Hieruit volgt verder, dat de hoeveelheid dagelijks in te spuiten insuline individueel moet worden vastgesteld en ook dan nog slechts geldig is voor één bepaald diëet. Hoe grooter de hoeveelheid insuline, hoe meer dat diëet het normale zal kunnen benaderen. Het vaststellen van de hoeveelheid

Sluiten