Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waai neembaar. De plaatsen, waar zij zich ombuigt, doen zich als geelachtige strepen voor, die door twee donkere en regte lijnen Worden bepaald; daaraan laat zich de dikte van het vlies meten; de breedte der strepen namelijk beloopt 0,007 ". Even zoo dik doet zich het Demouus-scIic vlies voor, wanneer men het aan eene verticale doorsnede van het hoornvlies, daarmede verbonden, onderzoekt (PI. II, fig. 1,o). Zulk eene doorsnede is zeer geschikt om het verschil tusschen de beide vliezen zigtbaar temaken. \an het hoornvlies afgescheiden, rolt het zich op; in wijngeest blijlt het jaren lang doorschijnend; in kokend water en zuren wordt het niet veranderd. Het laat zich daarom gemakkelijk bereiden, wanneer men de vliezen van liet oog in kokend v\ater doopt, waaibij liet eigenlijke hoornvlies troebel en zijne verbinding met het glasachtig vlies losser wordt. Het üemours-Sche vlies gaat niet op de iris over, maar aan zijnen buitensten randvoorbij haar, en aan de scleiolicn nog een eindwegs naar achteren. ïusschen de sclerotica en het lig. ciliare houdt het met eenen scherpen rand op (1).

Op het DrcMOuns-sche vlies volgt eindelijk naar binnen, als vierde laag, een eenvoudig plaveisel-epithelium, waarover reeds vroeger sprake was. Het eindigt aan den buitensten rand der iris.

Van deze vliezen bezitten het buitenste en binnenste epithelium en het I)em0urs-Scbe vlies geene vaten; wanneer derhalve het hoornvlies zijn voedingsvocht door bloedvaten erlangt, dan kunnen deze ót' slechts tusschen het buitenste epithelium van het eigenlijke hoornvlies, óf in de zelfstandigheid van het laatste, óf eindelijk tusschen dit en liet demours-Sche vlies liggen. Inderdaad is er bij de vrucht een net van haarvaten, in verbinding met de vaten van de con-

als membrana humor is ,„,uei beschreven, waarbij men eveneens van de onjuiste vooronderstelling uitging, dat het DEMOORS-scl.e vlies slechts een gedeelte van eenen wcivliesachtigen zak was, die de voorste oogkamer bekleedcn en tot de afscheiding

der waterige vloeistof medewerken zou.

(1) jacon, in de Med, Chir. Transact. XV, P. 2, p. 504. C. Ii. Reiciiert (Bemerhungen zur tergleicl,enden Naturforschung u. s, w. 1845, p. 90) houdt het DESCEMET-Sehe vlies voor eene veranderde laag van het hoornvlies; hij zegt dat het laatste in de diepste lagen reeds het maaksel van het vlies van Descemet nabijkomt, geene strepen of kernrudimenten vertoont, en zonder afgescheidene grenzen in het eerstgenoemde vlies overgaat. IIenle (Canstatt's Jahreslerichl, 1845. I, 53) is tegen deze waarneming opgekomen. Yert.

Sluiten