Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren zenuvftakken vond, die uit de nar ei ciliares ontslaan, digt bij de sclerolica liggen, over het ligamenlum ciliare naar voren gaan, en zicli aan de groef in den rand van hel hoornvlies begeven , waar zij door hunne fijnheid onzigtbaar worden. Arnold (1) hield deze draden voor takjes van vaten ; Bochdaleck (2), Yalextin (3) en Pappeniieim (4) hebben de opgaven van Sciilem.m bevestigd. Pappeniieim lelde bij het zwijn 18 stammetjes; bij ossen zijn de dikste 0,0'ó'" dik. I)e bundels liggen meestal eenvoudig, maar vormen ook plexus. De doormeting der primitiefvezels bedraagt 0,0012"'. Yalentin meent opgemerkt te hebben, dat de draden de cornea doorboren en anastomoses met de zenuwen der conjuctiva vormen. Voor hun bestaan pleit ook de gevoeligheid der cornea, die niet aan het plaatje van het bindvlies kan worden toegeschreven, omdat daarvan slechts de opperhuid over de cornea heengaat. Ik wil hierbij nog doen opmerken, dat er zich tusschen dit epithelium en het eigenlijke hoornvlies geen bindweefsel bevindt, hetgeen men zou kunnen vermoeden, maar dat de onderste cellen van het epithelium onmiddellijk op de buitenvlakte van het hoornvlies liggen (5).

Het hoornvlies bestaat, volgens Valentin (6), in de achtste week nog uit korreltjes van 0,0072"'—0,0048'" doormeting. Later merkt men tusschen onduidelijke en in elkander verwarde draden van 0,0012"' breedte kogeltjes op van 0,0036'" doonneting. Het onderscheid tusschen sclerolica en cornea wordt eerst in de 10!e tot 12lle week duidelijk; van de vierde, volgens v. Ammon (7) zelfs van de tweede maand af, zijn beide reeds door eene kringswijze lijn gescheiden. De cornea is des te meer gewelfd en betrekkelijk dikker, naarmate het embryo jonger is, en ook bij pasgeborenen nog betrekkelijk dikker dan bij volwassenen.

(1) Das Auge des Menschen, S. 27.

(2) Bericht über die Versammlung der Naturforscher in Prag , 1837, S. 182.

(3) De functionibus nervorum, p. 19.

(4) V. Ammon's DIonalschrift, 1839, S. 281, Taf. II, Fijj. 5—8.

(5) De zenuwen van liet hoornvlies kon Puhkühje door middel van azijnzuur zeer duidelijk maken. Zij zouden uit de nervx ciliares der eene zijde in die der andere overgaan, doeh schenen zicli niet tot in de coijunciiva uit te strekken (MüllER'S Arohiv , 1845, p. 281). Vert.

(6) Entwickelungsgeschiclite, S. 191.

(7) Zeilschrifl fiir Ophthalm. II, 505.

Sluiten