Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vezelige maaksel van liet hoornvlies was reeds aan Leeüwe.nhCi.k [Opera, III, 77) bekend; in enkele afgescheurde plaatjes zag hij maxitnam per se invicem implexarum pellucidarum struirum copiam, quarum mullus esse vasa snnguifera slaluebam, sed adeo tenuia, ut nullos glabulos nut materiam sanguinem rubrum reddentem intra se admitterent. Op eene andere plaats (t. a. p. 291) maakt hij gewag van het epithelium van het hoornvlies, dat uit eene groota menigte van plaatjes, die even als schubjes over elkander liggen, zou bestaan. Treviramjs (Beitr iïge zur Phjs. der Sinneswerkzeuge, Heft I, 1828, S. 12) vond talrijke lagen van vezels, Lautit (l'Institut, 1834, N". 57) elkander doorkruisende vezels, die rimpelig waren, en iels sterker dan peesvezels. AVsrkeck (v. Ajimon's Zeitsch. f. Op/ith. 1835, S. 5) schijnt niet het eigenlijke Dediours-soIic vlies, maar het binnenste epithelium als membranahumutis aquei te beschrijven. Hij geeft eene afbeelding (Taf. I, Fig. 1) van een net van watervaten in hetzelve, hetwelk niets anders is dan de tusschenruinUen der cellen. Werneck wil dit vlies bij het foetus tot op de voorvlakte der iris vervolgd hebben, van waar het op de membrana pupillaris zou overgaan en haar voorste blad zou vormen, terwijl het achterste tot eenen weivliezigen zak zou behooren, die de achterste oogkamer zou bekleeden. Ëene scheiding der membrana, pupillaris in twee bladen is noch mij, noch aan andere waarnemers mogelijk geweest. Berres (Mikrosk. Anat. 183G, Taf. XII, Fig. 1) beeldt de binnenste cellenlaag van het hoornvlies als tepclvormig ligchaam van het Dejiocrs-scIic vlies af, en t. i. p. Fig. 3 de vezels van het hoornvlies. Vale min (Hepertor. 1836, I. 311) beschreef het eerst de vezels en bare rigting naauwkeuriger; in versclien toestand zouden zij licht, doorschijnend, kleurloos, in water troebel zijn, en er kunnen uitzien, alsof zij uit kogeltjes zamengesteld waren. Het schijnt, dat Vaieniin ook bij de vogels de uitgerekte kernen gezien heeft, toen bij hier kraakbeenligchaampjes zocht. Hij zag rondaclitige, ongelijke ligchaampjes, bij de gans 0,0084, bij de muscb, 0,0024'" in doormeting, op de vcrschillendste noogten verspreid. Het DEMOORS-Sche vlies kwam hem meercndeels als een structuurloos vliesje voor: bij het paard merkte hij eene eenvoudige laag, van zeer fijne, evenwijdig loopende draden, reeds in versclien toestand op, duidelijker na koking in wijngeest of water. Hij de vogels volgt het DiMODRS-sche vlies, wanneer men aan versche oogen het ligamentum ciliare van het hoornvlies losmaakt, in zijne gelieele uitgestrektheid het ligamentum ciliare. Daardoor verklaart zich de door nuj en eenige vroegere waarnemers (De membrana pupillari p. 23) beschrevene soort van pupillair vlies bij de vogels, dat van den buitensten rand der iris zijnen oorsprong neemt. Iets soortgelijks zag IIeich ook bij een zwijnen-embryd {de membr. pupill. p. 5). In dit vliesje zag Vil. ent in ovcrlangsche en dwarse vezels, elkander regthoekig overkruisende van 0,0012" doonneting. Ofschoon ik bij menschen, berkaauwende dieren en zwijnen neene vezels gezien heb, zoo kan ik niet bestrijden, dat zij bij sommige diersoorten kunnen voorkomen. Eindelijk gaf Donhé (l'Institut, 1837, K°. 220) eene beschrijving van bet hoornvlies en het Demoürs-scIic vlies, volgens welke het eerste uit zich overkruisende en verwikkelde draden bestaat, bet tweede echter zonder regelmatige structuur zon zijn en met de weivliezen overeenkomen.

Sluiten