Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER HET WEEFSEL VAN DE KRISTALLENS, HET GLASACHTIG L1GCHAAM EN DE DAARTOE REHOORENDE VLIEZEN.

Van de doorschijnende deelen van het oog is de kristallens het meest onderzocht en liet naauwkeurigst bekend. Zoo als men weet, is zij in eene vliezige kapsel besloten, wier voorste wand vrij in de achterste oogkamer uitkomt, terwijl de achterste wand in de ronde groef van het glasachtig ligchaam rust, waaruit zij na eenige maceratie gemakkelijk kan worden losgemaakt. De achterste wand is aanmerkelijk dunner dan de voorste, en heeft eene dikte van niet meer dan 0,003'"; die van den laatsten schat ik daarentegen op 0,00S"'. De kapsel der lens bezit bij volwassenen geene vaten, en kan verder noch in vezels, noch in plaatjes worden ontleed. Zij doet zich, met het ongewapende oog gezien, volmaakt waterhelder, onder het mikroskoop eenigzins geelachtig en korrelig, als mat glas voor; zij is volkomen glad, vast en stijf, zoodat zij zich ligt in groote, hoekige plooijen legt, en, nadat zij geledigd is, ineenrolt, zonder zich zamen te trekken. In kokend water, wijngeest en zuren wordt zij noch opgelost, noch troebel. In deze eigenschappen komt zij, zoo als vermeld is, met het Dejiourssclie vlies volkomen overeen. Op soortgelijke wijze gedragen zich, zoo als later zal worden aangetoond, ook het binnenste overtreksel der retina en het buitenste overtreksel van het spiraalplaatje der slak, dat de uitbreiding der gehoorzenuw bedekt; met dit onderscheid evenwel, dat in de beide laatst genoemde vliezen op de vrije oppervlakte afzonderlijke celkernen liggen. Wanneer deze vliezen ook in hunne ontwikkeling zoovele punten van overeenkomst aanbieden, waarvan thans nog niets met zekerheid bekend is, dan zullen zij misschien later in een bijzonder organisch systeem mo-

Sluiten