Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog een ovale, korrelige cytoblast gevonden van eene aanzienlijke grootte, die, nadat zij eenigen tijd aan de inwerking van water is blootgesteld geweest, zich nog duidelijker vertoont. Dikwijls is het lichte blaasje slechts aan ééne zijde op den cytoblast geplaatst, zoodat de omtrekken van beiden even als twee kringvormige schalmen van een ketting in elkander schijnen geschoven (Fig. 2, C). Ook komen er afzonderlijke cytoblasten voor (B). Bij dieren zijn zij volkomen rond of ovaal; bij menschen ziet men ze meestal eenigzins afgeplat en polygonaal, even als in de epitheliën der sereuse vliezen, met eene zeer regelmatig in het midden van den wortel gelegene kern. Uit Werneck's beschrijving moet men besluiten, dat de cellen naar het middelpunt der lens toe in grootte toenemen. Ik heb groote en kleine cellen dooreen gevonden. Indien het water verdampt, dan worden zij donker, korrelig en rimpelig; giet men er weder water bij, dan zwellen zij op en worden volkomen doorschijnend.

Op de cellenlaag volgen naar binnen eigendommelijke vezels, zonder dat ik bij volwassenen overgangsvormen kon aantoonen. Volgens Valentin kan men echter ook in oudere lenzen de overgangen van cellen in vezels, waarvan later sprake zijn zal, waarnemen. Ook de vezels zijn zeer bleek, plat, kristalhelder, in verschen toestand met volkomen regte omtrekken, die, als de vezels digt naast elkander liggen, zich als verhevene, lichtere lijnen voordoen (Fig. 5,A,B). De vezels, die het digtst bij de oppervlakte liggen, bezitten eene breedte van 0,0036"' (1) in doorsnede ; meer naar het centrum der lens toe worden zij iets smaller; de binnenste zijn ongeveer slechts half zoo breed. De dikte der vezel bedraagt, volgens Treviranus, zoowel aan de buitenste als binnenste 0,0004—0,0008"'. Volgens Corda vormen hare doorsneden in de breedte uitgerekte zeshoeken, hetgeen door Werneck en Rud. Wagner mede bevestigd wordt (2). Elke vezel is aan haar uiteinde smaller en loopt in eene stompe punt uit; aan den grootslen omvang der lens zouden zij het breedst zijn, en ook in dikte van den omvang af naar de polen toe afnemen. Op vele plaatsen komen er zeer kleine donkere puntjes tusschen de

(1) 0,0012'" Werneck, 0,0032 de buitenste, 0,0024 de binnenste; Trevjramis.

(2) Wirkeck, Ammon's Zeilschr. V, Taf. If, Fig. 10 —12.

Sluiten