Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vezels voor, die er een korrelig aanzien aan geven. Ook worden de zijdelingsche randen der vezels naar de kern der lens toe eenigzins ruw, als 't ware getand, en grijpen met de tanden in elkander in (Fig. 3, C). JNu en dan zag ik, van de inbuigingen der randen af aan, regelmatige dwarse rimpels over de oppervlakte der vezels heenloopen, hetgeen ook door Werneck en Wagner is opgemerkt; de laatste vergelijkt ze met de dvvarsstrepen der spieren. Ook de vezels der lens worden na coagulatie met zoutzuur veel duidelijker, en laten zich alsdan gemakkelijk uiteen trekken en afzonderlijk bereiden. Phosphorzuur maakt ze hard, zonder ze gelijktijdig ondoorschijnend te maken (H'unefeld, Phys. Chem. II 915).

Door de geheele dikte der lens zijn de vezels hoogst regelmatig naast elkander gerangschikt. De vezels eener laag zijn echter veel vaster met de zijranden aan elkander gehecht, dan met hunne vlakte aan de vlakten der vezels van de boven en onder gelegene laag. Om die reden kan men, vooral na behandeling met zoutzuur, de lens gemakkelijk in plaatjes scheiden, waarvan het eene,even als de schillen van ajuin, steeds het andere insluit (1). Misschien bevindt er zich vloeistof tusschen de afzonderlijke plaatjes. Naar het centrum der lens toe liggen zij digter op een, en vormen de kern. Het specifieke gewigt der geheele lens van een os, die 50 grein woog, bedroeg 1,076b; van alle kanten afgeschild tot op een stuk van 6 grein had zij een specifiek gewigt van 1,194 (Ciiexevix). Elk plaatje heeft denzelfden vorm der kapsel, en in elk loopen in het algemeen de vezels als meridianen van de voorste pool onafgebroken over den buitensten rand of aequator deilens heen naar de achterste pool. De beide polen echter zijn geene punten, maar figuren van eenen bepaalden vorm en grootte, met cellen opgevuld, en de vezels loopen derhalve ook in geene twee centra te samen, in welk geval zij naar den aequator toe óf bree-

(1) In de verharde lens van een pasgeboren kind vond IUknoveb, wanneer zij naar de as toe doorgesneden werd , eene naar voren concave, in liet midden geplaatste spleet, waardoor de lens in een voorst biconvex en een achterst concaafconvex gedeelte werd gescheiden, het voorste gedeelte zou aan chromiumzuurpracparaten sterker gekleurd, liet achterste gedeelte lichter en misschien iets weeker zijn. Uaenover vestigt de opmerkzaamheid op de overeenkomst van dit maaksel met dc zamenstelling onzer achromatische lenzen (uit een biconvex crownglas en een concaaf-convex flintglas; Cakstatt's Jahresb. 1!MG, I, 54). Veiit.

Sluiten