Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der worden óf uiteenwijken moesten; maar zij eindigen grootendeels naast elkander, en wel, volgens Werneck's beschrijving (1), op de volgende wijze: Op de voorvlakte der lens merkt men eene driehoornige figuur op, of eenen driehoek met gebogene, naar buiten concave zijden, waarvan gewoonlijk eene punt naar boven, de beide anderen naar onderen en zijwaarts gerigt zijn. In deze

figuur loopen de vezels in eene nog niet genoeg onderzochte zelfstandigheid te niet; aan de concave zijden eindigen zij naast elkander; aan de punten slaan zij zich als een gewricht om; misschien komen zij ook in eene lijn, die men als de voortzetting der punten denken kan, van beide zijden te zamen. Eene soortgelijke opening, maar

van eenen anderen vorm , vertoont zich op de achtervlakte der lens; het zijn twee, met de convexe ran¬

den naar elkander toe gekeerde halvemaanvormige figuren, die door eene dwarse strook verbonden zijn , of een vierhoek, met zeer sterk uitgeholde zijden. Ook hier eindigen de vezels gedeeltelijk aan de concave randen; voor een ander deel gaan zij aan de hoeken in elkander over. Zel¬

den, volgens Werneck slechts in hoogen ouderdom, is ook de opening van den achtersten kapselwand driehoornig (2); bij eenen man van 96 jaren vond hij slechts eene kleine,

(1) V. Ammon's Zeitschr. f Ophthalm., IV, 13, Taf. I, Fig. 8.

(2) Volgens A. IIasnover (Mülier's Arcliiv, 1845, p. 478) zou Werneck ten opzigte dezer figuren zich aan eenige onnaauwkearigheid hebben schuldig gemaakt. Even als de opening aan de voorvlakte zou die aan de achtetvlakte uit drie schenkels bestaan, maar in eene omgekeerde rigting:

Gewoonlijk vallen de vereenigingspunlen der 3 lijnen, volgens hem, zoowel op de voor- als achtcrvlakte juist in de as cn naauwkcurig tegenover elkander; dikwijls echter zou de as der lens midden tussehen de heide vcreenigingspnntcn

/

Sluiten