Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo lang de doorschijnende deelen van het oog in hunne vorming begrepen zijn, krijgen zij zeer aanzienlijke vaten, die men door opspuiting bij embryonen zeer ligt duidelijk kan maken. In vroegeren tijd komt er uit de vaten der retina, op de plaats, waar de gezigtszenuw naar binnen gaat, een stam, welks dikste tak, midden door de as van het glasachtig ligchaam, eerst naar de ronde groef loopt en zich daarop verdeelt, terwijl van de plaats al aan, waar het vat in het glasachtig ligchaam gaat, talrijke zijtakken zich door hetzelve verspreiden, tot aan den buitensten rand der zonula voorlloopen, en zich daarop naar binnen, naar de ronde groef wenden., waar zij zich met de takken van het centrale kanaal verbinden. Deze takken sluiten zich van den buitensten omtrek van het glasachtig ligchaam af aan naar de as toe, zoo dat het glasachtig ligchaam , op eenen zekeren tijd , uit een buitenst vaatloos, en een binnenst van vaten voorzien kogelsegment bestaat (1). Eindelijk verdwijnen de vaten van het glasachtig ligchaam geheel cn al, uitgezonderd de enkele centrale vaatstam, de art. capsularis, die zich somtijds nog terstond aan den wortel gaffelvormig verdeelt. De vaatuitbreiding op de zonula Zinnii, die aanvankelijk een intermediair net tusschen de centrale en peripherische stammetjes van het glasachtig ligchaam vormde, stelt zich, wanneer deze verdwijnen, naar buiten met andere vaten in verband, die óf tot de binnenvlakte der retina, óf tot de processus cUiares behooren, en stelt ecne gemeenschap daar tusschen de art. capsularis, de vaatuitbreiding in de ronde groef en de vaten der retina of clioroïdea (2). De vaatuitbreiding der ronde groef is ech-

vczels aan de hand. De getallen, die liij op die wijze verkreeg Ieeren, dat van de vierde maand van liet foetus leven af tot aan de geboorte toe de hoeveelheid der lensvezcls nagenoeg niet vermeerdert, terwijl hare breedte toeneemt, dat daarentegen na de geboorte de vergrooting der lens cenig en alleen door vorming van nieuwe vezels plaats heeft. Vert °

(1) Reich, De membraiia pupillari, Fi«j. 4.

(2) Werneck heeft reeds opgegeven (.Wed. chir. Zeilung, 1323, I, S. 15) dat injectie-massa uit de art. caysularis in de vasn «nrtimsm nvommi l1,

zag (Membrana pup. p. 29, Fig. 5, 6) een onvolkomen ringvormig vat aan den

imiiLiirunu aer zonula, waarin de stammetjes van deze ïnmonddcn, cn in andere, opgespotcne oogen de stammetjes der zonula zich in liet corpus ciliare verliezen. Arnoid (v. AMMOK's Zeitschr. IV, 33) bestrijdt de juistheid dezer

Sluiten