Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, zoo als Brewster ontdekt heeft. Zij zijn het duidelijkst en grootst bij de visschen, waar elke tand ongeveer het vijfde gedeelte van de breedte der platte vezels bezit (1). liet aan tal der tanden aan eene lensvezel van den kabeljaauw schat Brewster op 121500. Soortgelijke vezels vond hij ook bij hagedissen en vogels; onder de zoogdieren zijn de tanden bij de meesten onduidelijk; bij de elefanten zouden zij geheel en al worden gemist. Treviranus vond ze bij vele zoogdieren duidelijk in de kern; daarbuiten waren zij niet aanwezig.

Ook de openingen in de voor- en achtervlakte der lens, waarin de vezels bijeenkomen, bezitten bij verschillende dieren zeer eigenaardige vormen. Bij den kabeljaauw convergeren zij volgens Brewster als meridianen in eene voorste en achterste pool; bij andere visschen, bij kikvorschen, hazen en konijnen , wordt de plaats der pool door eene regte lijn van voren en achteren vervangen, die zich beide onder een regten hoek snijden. Driehoornige figuren van voren en achteren, welker stralen echter ook niet tegen elkander overstaan, bezitten de katten, zwijnen, herkaauwende en andere zoogdieren. Twee kruisen, die elkander niet bedekken, worden bij den walvisch, zeehond, beer en elephant gevonden. Eindelijk komen er ook asymmetrische figuren voor bij de schildpad en eenige visschen, en zamengestelde door verdeeling der eenvoudige stralen.

Brewster, Pltilos. transact. 1853, p. 323; 1836, P.I, p. 53. (Müller's Archio, 1837, XLVIII)-; Husciike in v. Ammon's Zeilschrift f. Ophthalm. III, 20, Taf. I; Treviranus, Beilrage, II, 81, IV, Fig. 62—67, Werneck in v. Ammoü's Zeilschrift, V, 415, Taf. I, II; Sciiwann, MiIcroslc. Unters. S. 102, Taf. I, Fig. 15.

Leeuwenhoek heeft het maaksel der lens zeer zorgvuldig onderzocht (O pp. T. 111, p. GG, sq.); hij ontleedt haar in plaatjes; elk plaatje bestaat uit vezels en bezit de dikte cener vezel; liet schijnt wel, dat hij daarmede de primitief ve-

(1) Uartikg heeft (in zijne Jlistologische aanteekeningen in v. D. Hoeven en DE Vriese, Tijdschrift, XII, 1, hl. 25) eenige belangrijke feiten omtrent delenzen der dieren medegedeeld. De lensvezels van den aal zijn niet zoo als die der overige visschen, getand. Bij Triton aquaticus en Molge punctuta vindt men de breedste vezels (0,01' '); zij worden naar het centrum toe puntiger. Vert.

Sluiten