Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeis bedoelt, lioewel hij liet vermoeden uit, dat elke vezel weder verder zou kunnen ontleed worden, want hij geeft op, dat 10 vezels te zamen genomen nog niet zoo dik zijn als een haar (een haar schat hij op 0,02"'), en dat op den grootsten omtrek der kristallens 12000 vezels naast elkander liggen. De vezels schenen hem somtijds, hoewel niet altijd, toe als uit kogeltjes zamengesteld te zijn, misschien ten gevolge der boven beschrevene rimpeling. Hij zag de driehoornige figuur bij den os, den hond, het zwijn, de eenvoudig dwarse bij hazen en konijnen; hij zag eindelijk, dat de vezels, die op de eene vlakte het digtst bij den rand ombuigen, op de andere tot op het middelpunt doorgaan, en neemt aan, dat eene vezel zonder eind de geheele lens omspint. Camper (De quibusdam oculi partibus, 1*16, IIaller, Disp. anat. IV, 279, Fig. 8) heeft eveneens de vezels onderzocht en gevonden, dat zij in elk der segmenten, waarin eene lamelle der lons zich laat ontleden, aan den rand in de gelijkstaande vezels van het naastbij gelegen segment ombuigen. Leeuwenhoek hield het voor mogelijk, dat de vezels musculeus zijn; YodjiG [Platos, transact. 1793 , p. 172) houdt het voor uitgemaakt; de voorste en achterste opening tusschen de vezels zijn in zijne oogen pezen, waaraan de spieren zich hechten. Reil (Sattig, Lentis crystall. structura jibrosa. Hal. 1794) leerde de vezels door salpeterzuur duidelijk maken; hij vestigde de opmerkzaamheid op hare natuurlijke scheiding van elkander aan de polen en aan de daarvan uitgaande lijnen. Home en Baüer (Philos. transact. 1822, p. 79) vergeleken de lensvczels zeer gepast met draden van gesponnen glas. Ik spreek niet van den strijd, die er over ontstond, of dit maaksel gedurende het leven aan de lens eigen was, of eerst na den dood door stremming, door inwerking van scheikundige middelen enz. ontstond, voor welke meening zich mannen als Soemmering en Berzelics verklaard hebben, in den laatslen tijd heeft Aiinold weder het eerst de lens aan een naauwkeuriger mikroskopisch onderzoek onderworpen. Hem deden zich de vezels, misschien ook bundels van vezels, als buizen voor, die door dwarse en scheeve anastomoses met elkander in verbinding zouden staan. De buizen hield hij voor watervaten. Thans schijnt hij deze meening te hebben opgegeven. In de Icones anat. fase. II, Fig. 17—20, 25, beschreef hij de lensvezels op dezelfde wijze als Werneck en IIi'scuke , doch als zamengesteld uit kogeltjes. Hdscdke (v. Ammok's Zeitschrift III, 1833, S. 20) heeft zich bijzonder met het beloop der lensvczels bezig gehouden en Leecwemioek's waarnemingen gedeeltelijk bevestigd, gedeeltelijk verder uitgebreid. In hetzelfde jaar maakte Brewster zijne waarnemingen omtrent het getande maaksel der lensvezels bij de visschen bekend (Land. and Edinb. phil. mag. 1833, Decemb.). De ontdekker der cellen in de buitenste laag der lens is Pejrkinje (Vaiektin in v Ammon's Zeitschrift, III, 1833, 328). Valentin vergelijkt ze met ronde, op het water drijvende oliedroppels, en in verschen toestand zien zij er even zoo als deze uit. Terstond daarop beschreef Werneck ze (t. z. p. IV, 1834, S. G) uit het oog van volwassenen voor een gedeelte als binnenste lamelle der kapsel; voor een ander gedeelte, de dieperen, als een tusschenweefsel, dat lens en kapsel organisch verbindt. In de binnenste lamelle der kapsel zag hij cirkelronde plaatjes, cellen of blaasjes, van ongeveer 0,0048' ' doormeting, waartusschen zich fijne, takkige vaten heen kronkelen. De plaatjes zijn eytoblasten; de vaten zijn de omtrek-

Sluiten