Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken der aan elkander rakende cellen. In het tusschenweefsel ontdekte liij teszij dige cellen van 0,012'" doormeting, die met elkander gemeenschap oefenen, en waarin liet liumor Morgagni circuleren zou. AVerneck's beschrijving der lensvezels werd in den tekst medegedeeld. Volgens Treviraküs (Tlcilriitje II, 1835, S. 80) zullen zij naar de beide polen toe spils toeloopen. Kraüse (Anat. I, 420, 183G) neemt twee zelfstandigheden aan, die in de zamenstelling der lens worden opgenomen, eene vormlooze, die door lucht, wijngeest enz. tot korreltjes zou stremmen, die slechts in de buitenste laag duidelijk zou zijn (cellen der buitenste laag) en vezels, die evenwijdig aan en op kleine afstanden van elkander de weeke zelfstandigheid doortrekken. De vezels zouden 0,0011—0,0015"' breed zijn, de afstand van elkander in de buitenste lagen 0,0038' in de kern 0,0030"' bedragen. Men ziet ligt in, dat Kraüse de donkere strepen, welke door de aanraking der vezels ontstaan , voor deze zelve en de vezels voor tusschenruimtcn gehouden heeft, waarom ook de tusschenruiinten naar de kern toe afnemen. Donké (l'Institut, 1837, N°. 220) vergelijkt de kernhoudende cellen van de buitenste laag der lens zeer juist met de epitheliumcellen, maar ziet deze laag voor de eigenlijke lenskapsel aan. Meier-Ahreks (Müller's Archic, 1838, S. 259) heeft liet eerst de cellen geïsoleerd in het liquor Morgagni waargenomen en haren vorm juist beschreven, maar de kern, of liever de betrekking van de kern tot de cel, over bet hoofd gezien; want uit zijne metingen blijkt, dat hij beide heeft waargenomen. Van de meening van Schwann (Mikrosk. Unters. 1839, S. 99) is reeds boven melding gemaakt.

Aan de zonula zijn door oudere en nieuwere waarnemers dikwijls vezels beschreven en zelfs voor museuleus verklaard, zoodanig dat zij de oorzaak voor de beweging der iris zouden uitmaken. Deze vezels zijn echter niet anders dan de bundels der zoo even beschrevene mikroskopische draden (z. Camper, IIaileri Disp. IV, 282). IIoscnKE (v. Ammom's Zeitschrift, III, 1833, S. 1) heeft de korrellaag der zonula waargenomen en daarin een bewijs meenen te vinden voor de voortzelling der retina o\er de processus ciliares. Eene soortgelijke waarneming werd door R. Wagner (v. Ammon's Zeitschrift III, 1833, S. 279) gemaakt. Als corona ciliaris der retina beschrijft hij de plooitjes der zonula; zij doen zich onder het mikroskoop voor als uit dezelfde lagen van zenuw kogeltjes bestaande, als bet achterste gedeelte der retina; deze laatste zijn slechts niet zoo opeengedrongen. Deze kogelljes worden tot in de buitenste punten gevonden. Het ziet er uit, als of de zen u w kogel tj es in cellen van het cell en weef sel lagen. Men vindt namelijk, dat de zenuwkogeltjes door fijne strepen, die hoekige of kruiswijze lijnen of zoomen vormen, omgeven zijn. Dikwerf meende hij ook in deze celweefselachlige grondlaag een vezelig of gestreept weefsel op te merken. De zenuwkogelljes waren 0,0033'" in doormeting, en schenen uit afgeplatte kogeltjes, derhalve lenzen, te bestaan. Ook Langenbeck (De retina, 183G, p. 26) verklaart de elementen der corona ciliaris voor het van de eigenlijke zonula onafscheidbare haarband-gedeelte der retina; de knobbelige vezels der retina zouden zich over de zonula voortzetten, maar fijner en de verbindingsdraden der kogelljes zoo leeder wrorden, dat zij terstond vaneenscheuren en dan slechts kogeltjes schijnen, die zonder orde in het rond liggen (de celkernen?). Daaronder

Sluiten