Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

melijk gelijke dikte en eene doormeting van 0,0005—0,0008 " (1). Hunne omtrekken zijn glad, scherp, maar licht; gedrukt en uitgestrekt zijn zij regt; anders loopen zij, ten gevolge van hunne elasticiteit, in zachte, dikwijls zeer regelmatige, golfswijze bogten (PI. II, fig. 13), en deze bogten zijn het, die aan alle uit bindweefseldraden gevormde deelen het fijn dwars gestreepte of bandachtige aanzien geven, dat aan de pezen zoo in het oog loopt. De elasticiteit van het bindweefsel vertoont zich aan levende en doode deelen, die uit hetzelve gevormd zijn. Het interstitiële bindweefsel trekt zich na de uitzetting weder zeer snel zamen; het ncurilenia van doorgesnedene zenuwen drijft zijnen inhoud naar buiten, bliezen, die door etter, water of gezwellen zijn uitgezet, krijgen in korten tijd hunnen vorigen omvang terug, zonder plooijen te vormen, wanneer de uitzetting maar niet te sterk is geweest. De elasticiteit is het geringst in pezen en banden, maar zij ontbreekt ook daar niet geheel. Voor een gedeelte is deze eigenschap afhankelijk van de bijmenging van een ander weefsel, zoo als later zal worden aangetoond. In massa en met het bloote oog beschouwd, bezitten de vezels van het bindweefsel eene witte kleur. Of de fibrillen vast of hol zijn, laat zich door regtstreeksche waarneming niet uitmaken; de wijze harer ontwikkeling pleit echter niet voor het laatste.

De fibrillen liggen zeldzaam afzonderlijk, meestal in bundels vereenigd naast elkander, en de bundels zijn door eene vaste, maar vormlooze kiemstof verbonden, zoo als zich reeds per analogiam laat vermoeden en door de beschouwing van fijne, uit bindweefsel gevormde lamellen laat bewijzen. Aan een dun plaatje der arachnoïdea b. v. vertoont zich tusschen de mazen der bindweefselbundels eene zeer matte en fijn gekorrelde, natuurlijk ook in dit geval vliesachtig uitgebreide stof, die de opene ruimten aanvult en vooral duidelijk wordt, wanneer men den rand van het afgesneden plaatje beschouwt. Daarop vormt zij tusschen elke twee bundels den rand,

(1) 0,001—0,002, in sereuze \liezen 0,003 U. AVagser (Eürdach's Phys. V, 114); 0,0012 Valentin (IIecker's Ann. 1835, S. 59); 0,0005—0,0009 JordaW; 0,0008 Trevirands; 0,0008 E. II. Weder; 0,0003—0,0008, in pezen 0,0016

0,0019 Kraüse ; 0,0003 Ecienberg (Tela elastica, p.26); 0,0006—0,0008Ger-

ber ; 0,0005—0,0006 IIarting (v.d. Hoeven en de Vrtese, Tijdschrift,\U, 183).

Sluiten