Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inet eene duidelijke en scherpe grens. Men neemt tot dit onderzoek een stukje van de arachnoïdea der hersenen aan de grondvlakte, waar zij even als eene brug over de plooijen der hersenen is heengespannen, nadat men vooraf het epithelium afgeschraapt of door maceratie verwijderd heeft (1). Bovendien is het

(1) Volgens Reiciiert (Eemerkungen zur vergleichenden ISaturfor schuilg im Allgemeinen und vergleic/iende Beobachtungen iiber das Bindegewebe und die verwandten Gebilde, Dorpat, 1845, p. 47 en volg;.) bestaat het bindweefsel niet uit bundels van fibrillen, die door eene structuurlooze grondmassa worden bijeen gehouden, maar is liet eene schijnbaar structuurlooze, met een kleiner of grooter aantal van kern-rudimenten voorziene, gelijkvormige, glasheldere of fijn gekorrelde, volstrekt vezellooze en onafgebrokene stof, die zich ligt in meer of minder regelmatige plooijen ligt, of zich toch aan de randen oprolt, die verder hier eene meer strakke, daar eene meer rekbare en taaije gesteldheid bezit, en zich eindelijk nu'eens ligter, dan weder moeijelijker of in het geheel niet, kunstmatig in vezels laat splitsen. Het vezelig aanzien van liet gewone bind- en peesweelsel zou slechts door de donkere en lichte strepen van de plooijen, waarin de homogene massa zich gelegd heeft, worden voortgebragt; de bundels, vezels en fibrillen, die bij splijting en ontrafeling zigtbaar worden, zouden kunstmatige producten der ligt splijtbare massa zijn. IIenie laat zich in zijn Bericlu iiber Histologie (Canstatt's Jaliresbericht, 1845, p. 55) omtrent deze meening van Reiciiert aldus uit: «Deze meening, welke de meeste onderzoekers naamvelijks eenige bespreking waardig zullen keuren, is moeijelijker te wederleggen, dan wel op het eerste vernemen toeschijnt. Zeker komt het bindweefsel, hoe weinig men het bij het praeparen. ook moge kwetsen, in de bekende, stijve fibrillen en bundels van fibrillen voor; maar daar er, om deze vezels en bundels te isoleren, altijd eenige beleediging van het weefsel noodig is, zoo zal men ook steeds kunnen blijven beweren, dat de beleediging van het weefsel de vezels gemaakt heeft, wanneer men zich slechts de neiging om in vezels gesplitst te worden in dezelfde mate groot voorstelt, als het aangebragte geweld gering was. Het bewijs, dat de vezels reeds vóór de bereiding aanwezig waren, moet dien ten gevolge nog op eene andere wijze worden geleverd, en dit is niet moeijelijk. Vooreerst moeten wij elk argument tegen de vezelige structuur van het bindweefsel afwijzen, dat aan iets anders dan aan het onderzoek van het bindweefsel zelf is ontleend. Het is toegegeven en reeds sedert lang bekend, dat de zelfstandigheid, welke bij ongewervelde dieren met het bindweefsel van hoogere dieren gelijk staat, zoo als de fijnste omhulsels der zenuwvezelen, spiervezelen, klierblaasjes, niet uit stijve, evenwijdige fibrillen bestaat. Daaruit is volgens mijne meening slechts het besluit af te leiden, dat de genoemde weefsels niet tot het bindweefsel behooren, doch niet, dat het bindweefsel geene vezels bezit. Reiciiert hecht daaraan een groot gewigt (p. G3), dat men met het compressorium het vezelig aanzien van het bindweefsel kan uit-

3*

Sluiten