Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bindweefsel steeds meer of minder met bloedvocht doortrokken en daardoor in verschillende graden van weekheid. De culis bevat volgens Wienholt 52,35 pet. eigenlijk weefsel, de vaten daaronder begrepen, en 57,50 pet. water; het overige is eiwit en extractive stof.

De bindweefselcilinders zijn zeer vast en kunnen eene aanmerkelijke drukking verdragen, zonder veranderd te worden ol te scheuren. De wijze, waarop zij zich jegens scheikundige reagentia gedragen , is nog weinig onderzocht. In koud water veranderen zij niet; in azijnzuur lossen zij ook wel niet op, ten minste niet na uren, maar zij verliezen hare witte kleur, worden doorschijnend, geleiachtig en broos. Aan de bundels gaat elk spoor van oveilangsche strepen verloren; zij worden gelijkvormig, fijnkorrelig, zwellen eenigzins op , en plooijen zich , wanneer zij niet door drukking uitgespreid worden gehouden. Dikwijls, en vooral bij beginnende

wissclicn. en dat zich dit "weder vertoont, nadat de drukking is opgeheven. Dit hangt alleen daarvan af, dat de bindweefselcilinders genoeg elasticiteit bezitten , om na eene belangrijke uitrekking hunne cilindrische gedaante weder aan te nemen, en dat zij in uitgerekten toestand te doorschijnend worden, om de omtrekken duidelijk te laten herkennen. Iets soortgelijks grijpt bij de behandeling met azijnzuur plaats. Azijnzuur verandert de bindweefselvezels in eene schijnbaar homogene massa; bij eene aandachtige beschouwing laten zich echter de omtrekken der opgezwollen fibrillen steeds nog herkennen. Bijvoeging van of afwassching met ammonia brengt ze in hare vorige gesteldheid terug. Eindelijk voerl Keichert tegen de vezelige structuur van het bindweefsel nog aan het uitwendig voorkomen van in water geweekte doorsneden van gedroogde pezen, die, in welke rigting men ook snijde, hetzelfde beeld van doorschijnende, in twee rigtingen fijn gestreepte lamellen vertoonen. Maar juist aan fijne doorsneden van gedroogde pezen kan men, zoo als Stadelmann's waarnemingen (verg. Canstatt's Jahres bericht, 1844) leeren, de zamenstclling der pezen uit fijne fibrillen bewijzen; de doorsneden der laatsten doen zich als kleine kringen of punten op de doorgesnedene oppervlakte voor. Stadelmann's dissertatie zal Reichert nog wel niet bekend geweest zijn, en de genoemde doorsneden der fibrillen zijn hoogst moeijelijk te verkrijgen. Iloe hem echter de polygonale omtrekken der vezels en bundels op de doorsnede konden ontgaan, is slechts daardoor te begrijpen, dat de vezels aan de nieuwe wet van het genetisch natuuronderzoek ten offer moesten vallen." Ten overvloede herinnert Henie nog aan de met spiraalvezels omw'ondene bindweefselvezels (bundels) aan de grondvlakte der hersenen en aan vele andere plaatsen, die toch wel niet voor plooijen of strepen van een vlies kunnen worden aangezien.

Vert.

Sluiten