Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inwerking van het azijnzuur, worden er zelfs onduidelijke en digt opeengepakte dwarsstrepen opgemerkt, die er uitzien als uit de fijnste kogeltjes te bestaan en aan de bindweefselbundels eenige overeenkomst met gemacereerde en door azijnzuur veranderde spierbundels geven. Bij eenige sterkere bundels vertoont zich, na behandeling met azijnzuur, in de as eene donkere, korrelige zelfstandigheid , die in eene soortgelijke verhouding tot de fibrillen staat als het mergkanaal der haren tot de bastzelfstandigheid. Het azijnzuur, waarin bindweefsel is gemacereerd geworden, geeft volgens Jordan met bloedloogzout geen nederslag, noch ook troebelheid. Daarentegen kreeg Valentin (1) uit de azijnzure oplossing van bindweefsel- en peesvezelen, door middel van bloedloogzout, een, hoewel gering, praecipitaat, dat echter eerst na 12—24 uren zigtbaar en in vrij azijnzuur, in overmaat van cyaniclum ferri et potassii en in eene groote hoeveelheid water weder opgelost werd. Gedroogd is liet bindweefsel eene geelachtige, brooze, doorschijnende zelfstandigheid, die in water weder week wordt. In koud water gemacereerd, gaat het niet ligt in rotting over. In kokend water schrompelen organen, die in hoofdmassa uit bindweefsel bestaan, zoo als de huid, aanvankelijk ineen, worden harder en stijver, daarna echter, na voortgezette koking, week, slijmig en doorschijnend, en lossen zich eindelijk op lot lijm, die bij verkoeling stremt. In alkohol en aether, in vette en vlugtige oliën blijft het bindweefsel, zoowel in koude als warmte, onveranderd. Door zuren en loogen, ook wanneer deze tot eenen zekeren graad verdund worden, wordt de culis reeds bij eene gewone temperatuur in lijm veranderd en vervolgens in warm water tot gelei opgelost. In aanraking met zelfstandigheden, die water binden, zoo als chloorkalk en bijtende potasch, schrompelen huid en pezen ineen, worden vast en doorschijnend , doch krijgen in water haar oorspronkelijk voorkomen terug. Weeke culis, in eene oplossing van kwiksublimaat gelegd, vereenigt zich allengs met het metaalzout, en wordt daarbij digler en harder; met de looistof verbindt zij zich eveneens tot eene vaste, in water onoplosbare, de rotting wederstand biedende stof, liet leder.

(2) MiilLER's Archir, 1830, S. 199.

Sluiten