Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In hel maagsap is zij moeijeiijker oplosbaar dan andere weeke weefsels (Bic ha t) (1).

De fibrillen van liet bindweefsel zijn, zoo als is opgmerkt, meestal in grooter of geringer aantal vereenigd tot afgeplatte bundels van eene zeer verschillende dikte. Deze bundels voegen zich weder tot dikkere bundels of tot vliezen aaneen, doordien zij nu eens evenwijdig naast elkander worden gelegd, dan weder zich in de verschillendste rigtingen doorkruisen. Waar het bindweefsel als eene losse, ligt verschuifbare en uitrekbare massa de tusschenruimten der organen aanvult, zijn de bundels ook zonder bereiding duidelijk, daar zij in alle rigtingen door en over elkander loopen en zich reeds aan het ongewapende oog als een netwerk van fijne vezelen voordoen. De breedte dezer bundels, die ik primaire bundels of, naar hunne ontwikkeling, celvezels van het bindweefsel noem, bedraagt ongeveer 0,003—0,006"'. De meeste primaire bundels bezitten geen bijzonder omhulsel; de fibrillen kunnen ligt uiteen getrokken worden en gaan, wanneer een bundel sterk krom wordt gebogen, van zelf uiteen. Op vele plaatsen echter worden zij omwonden en bijeen gehouden door draden, die zich in hunne mikroskopische en chemische eigenschappen van de bindweefsel-fibrillen onderscheiden, maar daarentegen in vele opzigten met de vezels van het veerkrachtig weefsel overeenkomen, dat wij later zullen beschrijven. Zij zijn schier nog fijner dan de fibrillen van het bindweefsel, volkomen glad en gelijkvormig, maar door veel donkerder omtrekken en in het bijzonder eigenaardig gekenmerkt door de vele belangrijke omwindingen, die zij in geïsoleerden toestand vertoonen. Om ze te herkennen, moet men het bindweefsel met azijnzuur behandelen. In azijnzuur worden de bindweefselbundels doorschijnend, zwellen op, en hunne vezelige structuur verdwijnt, maar de omgewondene draden blijven onveranderd. Zoo gebeurt het, dat een bundel, die slechts uit de gewone stijve fibrillen van het bindweefsel schijnt te bestaan, na behandeling met azijnzuur zich als een lichte, in afzonderlijke en dikwijls zeer regelmatige

(1) Vergelijk hiermede de waarnemingen van Donders en MoiDER, in Mclder's Proeve eener algemeene physioloyische scheikunde, p. 59i en volg. Vert,

Sluiten