Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De banden, met uitzondering van de elastische en de tusschengewrichtsbanden der wervelkolom. Het zijn Jagen van bindweefsel, die volmaakt op dezelfde wijze als de pezen gevormd, maar grootendeels plat, zelfs vliesvormig uitgespreid zijn. Het lirjamentum teres van de heupkom komt zelfs in uitwendigen vorm met de pezen overeen, terwijl de kapselbanden der grootere gewrichten, de membrana inlerossea en obturciloria den overgang tot de fibreüze vliezen vormen. De banden, die beenderen zonder gewrichten onbewegelijk v ere enigen, zoo als b. v. d e membranae inlerosseae, de apparalus ligamentosus tali, de bandmassa tusschen darm- en heiligbeen, de ligamenfa corruscantia van den thorax, alsmede de zijdelingsche versterkingsbanden der gewrichten, staan aan beide oppervlakten met los bindweefsel in verband; de banden, die gewrichtsholten omgeven of door gewrichtsholten loopen, worden aan de zijde, die naar de holte toegekeerd is, door een plaveisel-epithelium bedekt, dat de vlakte nog gladder maakt.

o. De bandschijven. Van de uit bindweefsel gevormde organen zijn deze de vastste, zoodat zij, op hun uitwendig voorkomen af, onder de kraakbeenderen gerangschikt werden (carlilaqincs interarliculares), waarvan zij zich door hunne mikroskopische bestanddeelen wezenlijk onderscheiden. Zij zijn echter weeker en buigzamer dan de kraakbeenderen, bezitten meer elasticiteit, en zijn daarom ook op die plaatsen aangebragt, waar de drukking van twee kraakbeenige oppervlakten op elkander moet worden vermeden,

ring, tot de weivliezen te brengen zijn. Reichert (MiiltER's Archiv., 1843, p. 229) vond op de binnenvlakte van de slijmbenrzen, bij bonden, katten en kalveren, talrijke, donkere, langwerpige kernen, zonder evenwel duidelijke omtrekken van cellen te kunnen onderscheiden. Hij ziet de laag, welke deze kernen bevat, voor een epithelium aan, en rekent dien ten gevolge de slijmbenrzen tot de echte sereuze zakken, daar er ook op vele plaatsen van ware sereuze vliezen soortgelijke overtreksels voorkwamen. Henie (t. a. p. p. 16) vond eveneens, dat de cellen der epitheliumlaag bij dieren veel menigvuldiger dan bij menschen in dunne, langwerpige plaatjes cn zelfs in korte vezels uitgerold zijn; maar het is hem nooit moeijelijk geweest, zc van elkander te scheiden. Intusschen komt het hem zelf, vooral na onderzoekingen aan de arachnoïdea van menschen, waarschijnlijk voor, dat de epitheliumlaag vele overgangen tot eenvoudige kernhoudende vliezen en tot werkelijke vezels vertoonen kan, en dat het epithelium van sereuze vliezen, even als dat der vaten, zich van tijd tot tijd in vezcllagen kan veranderen. VküT.].

Sluiten