Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot de bandschijven behoort, wat het maaksel aangaat, het zoogenaamde kraakbeen van het bovenste ooglid, tarsus, welks bundels vrij evenwijdig aan den bovensten halvemaanvormigen rand loopen, en openingen tusschen zich laten, waarin de acini der Meibomiaansche kliertjes liggen. Van hetzelfde maaksel zijn de labra curtilaginea van de gewrichtsholten, strepen eener vaste bandstof, die met name aan den rand der heupkom, aan het schouderblad en aan het bovenste einde der tibia tot vergrooting der gewrichlsoppervlakte bijdragen. De vezelbundels loopen evenwijdig aan den rand. Eindelijk behooren hiertoe de zoogenaamde vezelige kraakbeenderen der peesscheeden, waarvan er b. v. gewoonlijk één in de peesscheede van den musculus tibialis poslicus voorkomt.

4. De vezelige vliezen in eenen beperkteren zin. Daartoe worden gerekend te behooren:

a. De vaste, witte en glinsterende omhulsels, die als buitenst overtreksel van vele ingewanden tot beschutting van het weeke parenchyma of tot aanhechting van spieren dienen. Zulk een fibreus vlies bezitten de oogen (sclerotica), de ballen (albuginea), de nieren, de eijerstokken, de milt en de voorstanderklier, verder de corpora cnvernosa van de penis, clitoris en urethra. Ook de dura maler van hersenen en ruggemerg en het fibreuze vlies van het hartezakje behooren hiertoe. Deze laatsten onderscheiden zich echter werkelijk daardoor, dat hunne binnenvlakte met het parenchyma van het orgaan, dat zij bedekken, in het geheel niet, of slechts op enkele punten verbonden en grootendeels slechts los over hetzelve uitgespannen is, en even als de buitenvlakte van het orgaan met een epithelium bekleed wordt. Yan de vezelige omhulsels der overige ingewanden gaan naar binnen somtijds balken of vliezige platen af (milt, corpora cavemosa), die het parenchyma doortrekken en eene soort van skelet van hetzelve vormen. De binnenvlakte der sclerotica is door zeer korte en fijne draden van bindweefsel met ingestrooid korrelig pigment aan de buitenvlakte der choroïdea ge-

zicli op eenige kleine plek, zoo als aan de pees van den musc.peronaeus longus, kraakbeenmassa ontwikkelde. Reicdert (Bemerkungen aur vergleich. Nalurforschung im Allgem. etc., p. 151) meent, dat de bandscliijven dikwijls in eenen meer jeugdigen leeftijd vezelaclitig-kraakbeenig zijn, terwijl zij in lateren leeftijd bindweefselaardig worden. Yert.

Sluiten