Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f. Van de fasciae werd reeds gemeld, dat er tusschen haar en de lagen van vormloos bindweefsel, dat grootere spiergroepen omgeeft, geene strenge grenzen bestaan. Wanneer zulk eene laag zich tot eene fasciq ontwikkelt, dan zetten er zich platte bundels van een fibreus maaksel in neder, en vormen óf een zamenhangend fibreus vlies, zoo als aan de voor- en buitenzijde der dij en aan de buitenzijde des schenkels, óf zij rangschikken zich in smallere, evenwijdige, dikwerf elkander doorkruisende strepen, zoo als aan den voorarm. Dikwijls komen er ook zulke strepen hier en daar verstrooid in spierscheeden uit vormloos bindweefsel voor, b.v. aan den musc. dcltoïdeus en glutaeus. Afzonderlijke verdikkingen der fasciae worden als banden onderscheiden, zoo als het lig. carpi commune, het lig. cruris transversum en crucialum. De peesvliezen van handpalm en voetzool zijn peesuitbreidingen, die van de met haar in verband staande spierlagen door vethoudend bindweefsel gescheiden zijn. Door de ligamenta intermuscularia gaan de fasciae in het beenvlies over; met de pezen van vele spieren (biceps, deltoideus, glutaeus maximus, tensor fasciae) staan zij in eén naauw verband, en kunnen zelfs als pezen beschouwd worden; zoo is b. v. de fascia van den reclus abdominis slechts de pees der schuinsche buikspieren. Van hare binnenste, naar de spieren toegekeerde vlakte ontspringen óf spiervezels, óf vezels van normloos bindweefsel, die dikwijls slechts spaarzaam zijn, en zoo los met het interstitiële bindweefsel der spieren zamenhangen, dat de binnenvlakte na de praeparatie zich nagenoeg glad voordoet, zoo als aan de scheede van den reclus abdominis.

Dikwijls zijn de fasciae, vooral die, welke digter aan het vormloos bindweefsel grenzen, met vezels van het elastische weefsel vermengd, waarop ik hierna hoop terug te komen.

g. Van de fibreuze vliezen zijn het been- en kraakbeenvlies (periosleum, perichondrium) door hunnen grooten rijkdom aan vaten eigenaardig gekenmerkt. Om in zoo fijn mogelijke takjes in de digte zelfstandigheid der beenschors in te dringen, vertakken zich de bloedvaten eerst hoogst menigvuldig binnen in net vaste bindweefsel, dat de beenderen, overtrekt. Dit bindweefsel met al de vaatvertakkingen vormt het beenvlies. Door de uit hetzelve in de beendereu dringende talrijke fijne vaatjes is het met

4*

Sluiten