Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of liever naar het binnenste blad der arachnoïdea toegekeerd is, met epithelium is bedekt.

2. Grootere vaat- en zenuwstammen loopen door de holte van de wanden naar de organen, en omgekeerd. Ook deze krijgen een epithelium-overtreksel. In zekere gevallen gaat elke vaat- en zenuwstam op zichzelven van den wand der holte naar het ingewand; elk wordt dien ten gevolge op zichzelven rondom met epilhelium, ook wel met bindweefsel bekleed; en stelt men zich het epithelium in zulk een geval afzonderlijk voor, dan zou het overtreksel van den wand en dat van het orgaan elk een zak vormen, waarvan de eene in den anderen stak, en beide zakken zouden door holle cilinders verbonden zijn, in welker holte de vaat- en zenuwstammen lagen. Zoo is het gewoonlijk bij de arachnoïdea van hersenen en ruggemerg, en hier is dien ten gevolge het sereuze vlies, zoo ver het met de organen zelve vast zamenhangt, niet te bereiden en wordt het slechts uit analogie verondersteld. Menigvukliger echter zijn de vaat- en zenuwstammen door bindweefsel met elkander verbonden, de mazen tusschen de anastomoses met bindweefsel opgevuld, en zoo ontstaan er tusschen de ligchaamswanden, waarvan de vaten uitgaan, en de organen, waarnaar zij toe gaan, vliesvormige, vaatrijke platen, mesenteria, die aan beide oppervlakten met opperhuid bedekt worden ; op dezelfde wijze vormen zich de sereuze banden , b.v. van het buikvlies (waarloe ook het groote net behoort) tusschen de organen, wanneer er vaten en bindweefsel van het eene orgaan naar het andere overgaan. Ook in de hersen- en ruggemergsholte komen op deze wijze vrije plooijen van het sereuze vlies voor, wanneer toevallig eenige vaat- of zenuwstammen door bindweefsel verbonden zijn en dien ten gevolge het epilhelium niet de afzonderlijke stammen rondom overtrekt, maar zich van het eene naar het andere over het daartusschen uitgespannen bindweefsel heenslaat. (1) Het ligamenttim denticulatum

(1) Zulke bruggen dei' arachnoïdea over enkele zenuwen heb ik reeds voor langen tijd dikwerf gezien, met name bij jonge dieren, en tusscbcn de laatste liersen- en de ruggemergs-zenuwcn, ook eenmaal over de beide reukzenuwen lieengespannen. Naar de toenmaals lieerscliende begrippen omtrent de sereuze vliezen moest dit tot bet vermoeden aanleiding {reven. dat de arachnoïdea geen ccn-

Sluiten