Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

witter wordt de massa. Schwann onderscheidt drie soorten van cellen, waarvan slechts de eerste, die zich ook liet vroegst vertoont, algemeen is en tot vorming van het eigenlijke bindweefsel wordt aangewend. De tweede soort ontwikkelt zich tot vetcellen; de verdere ontwikkeling der derde is onbekend.

De eigenlijke bindweefselcellen vertoonden zich het eerst als korrelige kogeltjes met eene kern, waarin één of twee kernligchaampjes werden waargenomen. Dat zich deze cellen om de vooraf bestaande kern vormen, is waarschijnlijk, daar men geene cellen zonder kernen, maar vele kernen zonder cel ziet. Deze cellen worden in twee tegenovergestelde rigtingen toegespitst, zeldzaam naar meer kanten toe, en verlengen zich in bleeke, fijn korrelige vezels, waarvan het beloop in het algemeen regt is. In dit tijdperk zou alzoo de bindweefselcel een spilvormig iigchaampje daarstellen, welks middelste opzwelling de celkern ruimer of naauwer omgeeft en dikwijls zoo digt oin haar ligt, dat de vezels onmiddellijk van de kern schijnen uit te gaan. Velen zouden zijdelings afgeplat zijn, zoo als men bij het wentelen derzelve opmerkt. De vezels geven dikwijls takken af, en verliezen zich eindelijk in een bos van hoogst fijne draden. De splitsing van de oorspronkelijke hoofdvezel cn de fijnere gaat nu naar het cellenligchaam voort, zoodat later onmiddellijk daarvan een vezelbundel uitgaat; eindelijk splitst zich hel geheele cellenligchaam eveneens in vezels, de kern ligt aanvankelijk nog op den vezelbundel en wordt daarna opgesloipt. 01 de cel aanvankelijk hol is, of hare holle, wanneer zij beslaat, zich in de vezels voortzet, werd niet waargenomen; intusschen houdt Schwann het uit analogie met de stervormige pigmentcellen voor waarschijnlijk. Hij vindt het moeijelijk, zich bij deze wijze van vorming er eene voorstelling van te maken, hoe de vezels bij de splijting van de beide uiteinden af aan in het cellenligchaam juist op elkander liefién; ook bepaalt hij niet, of de vezels zelve na hare splijting verder in de lengte groeijen, zoodat uit elke cel een geheele bundel voortkomt, dan of de vezels van verschillende cellen in de lengte met elkander ineen smelten, en dien ten gevolge elke bundel uit meerdere, in de lengte aancengeregene cellen beslaat.

Ma een zeker gering aantal van eigene onderzoekingen en uit

Sluiten