Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

analogie met andere weefsels, waarvan ik de ontwikkeling naauwkeuriger heb nagegaan, is mij de juistheid dezer voorstelling twijfelachtig voorgekomen. Vezelbundels als voortzettingen van afzonderlijke cellen zijn door mij niet waargenomen. Menigvuldig zijn er cellen, die zich naar twee kanten toe in eene fijne vezel schijnen te verlengen; bij eene meer naauwkeurige beschouwing blijkt het echter, dat de voortzettingen der cel niet smaller zijn dan zij zelve, maar even als de cel plat, en dat zij het liefst den smallen kant naar boven keeren, terwijl de cel op de plaats der kern plat op het glas ligt. Men kan niet loochenen, dat er onder de elementen van het nog onrijpe bindweefsel cellen voorkomen, die zich naar verschillende kanten toe in vezels verlengen; ook \alentin heeft zulke cellen gezien en afgebeeld (lj; maar het is nog de vraag, of deze cellen in eigenlijk bindweefsel overgaan, en het komt mij waarschijnlijker voor, dat zij zich tot vaten of tot eene eigenaardige soort van vezels vormen, die ik boven uit de zonula en lamina fusca heb beschreven (zie Plaat II, fig. 4,9). Waar men zeker is alleen bindweefsel te vinden, zoo als in de pezen, daar liggen de kernen aanvankelijk digt naast en achter elkander, in overlangsche rijen gerangschikt, in eene gelijkvormige zelfstandigheid ; later worden zij langer en steeds dunner, wijken verder uiteen, en daarna laat zich het weefsel in platte vezels scheiden van de breedte der primitive bindweefselbundels, die de verlengde kernen aan hare zijden hebben, deels achter elkander, deels met elkander - afwisselend. Hoe deze kernen in spiraalvormige en interstitiële vezels overgaan, heb ik bij hare beschrijving en in het algemeene gedeelte uitvoerig opgegeven, en ik zal dus hier omtrent dit punt in geene herhaling treden. De verdeeling der celvezel in de afzonderlijke fibrillen grijpt eerst later plaats, wanneer de vezel van de omgevende deelen door behoorlijke grenzen naauwkeurig is onderscheiden, en wordt op vele plaatsen nooit regt duidelijk, zoodat de bundel ook in volwassenen er even als een eenvoudige, onvolkomen overlangs gestreepte bundel uitziet.

In Plaat II, fig. 6, ziet men verscheidene primitive bundels met hunne meer of minder in hare ontwikkeling gevorderde kernvezels

(1) Repertorium, 1838, Taf. I, Fig. 2, d.

Sluiten